22 januari 1993
Eerste Kamer
Rek. nr. 8090
EL
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
THE WINDWARD ISLANDS BANK LTD. N. V.,
gevestigd op St. Maarten, Nederlandse Antillen,
EISERES tot cassatie,
advocaat: Mr. G.M.H. Hoogvliet,
tegen
1. [verweerder 1],
2. [verweerster 2], echtelieden,
wonende te [woonplaats], St. Maarten, Nederlandse Antillen,
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 4 mei 1990 gedateerd verzoekschrift heeft eiseres tot cassatie - verder te noemen de Bank - zich gewend tot het Gerecht in Eerste Aanleg van de Nederlandse Antillen, zittingsplaats St. Maarten, met verzoek verweerders in cassatie - te zamen verder te noemen [verweerders] - te - veroordelen om aan de Bank te voldoen een bedrag van Naf. 7.509,05, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 13% per jaar vanaf 1 november 1989, met vanwaardeverklaring van het gelegde conservatoir derdenbeslag onder de Stichting tot Bevordering van Voortgezet Onderwijs.
Nadat [verweerders] tegen de vorderingen verweer had gevoerd en gevorderd had opheffing van het conservatoir beslag, in overleg met de Bank te komen tot een redelijke regeling en terugstorting van Naf. 3.605, -- door het ten processe bedoelde advocatenkantoor, heeft het Gerecht in Eerste Aanleg bij vonnis van 11 december 1990 de vordering van de Bank tot een bedrag van Naf. 5.509,05 met 13% rente vanaf 1 november 1989 toegewezen, het gelegde conservatoire beslag van waarde verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft de Bank hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba.
Bij vonnis van 10 oktober 1991 heeft het Hof het vonnis waarvan beroep bevestigd.
Het vonnis van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van het Hof heeft de Bank beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Bank heeft haar zaak doen toelichten door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Vranken strekt tot vernietiging van het vonnis van het Hof en tot verwijzing naar dit Hof ter verdere beslissing. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Art. 19 van de tussen partijen geldende algemene voorwaarden van de Bank bevat een beding zoals aangehaald in de conclusie van het Openbaar Ministerie onder 2, dat betrekking heeft op door de Bank gemaakte proceskosten en kosten van rechtskundige bijstand en dat afwijkt van de wettelijke regeling betreffende de veroordeling in de proceskosten in de art. 60 en 61 RvNA (waarvan art. 60 overeenkomt met art. 56 leden 1 en 2 Rv).
Het Gerecht in Eerste Aanleg heeft partij [verweerders] in de proceskosten veroordeeld en daarbij overwogen dat de proceskosten volgens de gebruikelijke tarieven worden berekend en dat, voor zover de werkelijke kosten voor de Bank hoger zijn geweest, zij voor haar rekening blijven en niet voor rekening van [verweerders] komen "ook niet op grond van de van toepassing zijnde algemene voorwaarden van eiseres, waarin overigens de niet in rechte te handhaven bepaling voorkomt, dat ook kosten verschuldigd zijn die niet door de rechter zijn toegewezen".
Het Hof heeft dit vonnis bevestigd op grond van hetgeen het in rov. 2.1 heeft overwogen, hetgeen neerkomt op toepassing van de art. 60 en 61 op de veroordeling in de proceskosten met terzijdestelling van het beding van art. 19 der algemene voorwaarden. Hiertegen keert zich het middel.
3.2 De rechtsklacht van onderdeel 1 treft doel. Zowel naar Nederlands recht als naar het recht van de Nederlandse Antillen staat het partijen bij een overeenkomst vrij in afwijking van de wettelijke regeling te bedingen dat in geval van een procedure tussen hen, de partij die in het ongelijk wordt gesteld alle door de wederpartij gemaakte proceskosten zal dienen te betalen. Voor het sinds 1 januari 1992 geldende Nederlandse recht ligt dit besloten in art. 57ab Rv, dat de rechter de bevoegdheid geeft ter vergoeding van proceskosten bedongen bedragen ambtshalve te matigen. Ook naar het voordien geldende Nederlandse recht zijn zodanige bedingen in beginsel verbindend te achten. Er is geen reden naar het recht van de Nederlandse Antillen anders te oordelen.
Ook voor zover de rechter niet krachtens een bijzondere bepaling als voormeld bevoegd is tot matiging, kan hij de gevorderde proceskosten matigen op de grond dat toepassing van het beding in de gegeven omstandigheden - waaronder de omstandigheid dat het om een beding in algemene voorwaarden gaat - naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
3.3 Onderdeel 2 kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.
3.4 De beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie zal worden gereserveerd tot de einduitspraak, daar [verweerders] de in cassatie bestreden beslissing heeft uitgelokt noch verdedigd.
4. Beslissing·
De Hoge Raad:
vernietigt het vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba van 10 oktober 1991;
verwijst de zaak naar dat Hof ter verdere behandeling en beslissing;
reserveert de beslissing omtrent de kosten van het geding in cassatie tot de einduitspraak;
begroot deze kosten tot op heden aan de zijde van de Bank op f 400, -- aan verschotten en f 3.000, -- voor salaris en aan de zijde van [verweerders] op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Martens als voorzitter en de raadsheren Bloembergen, Mijnssen, Korthals Altes en Heemskerk, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Davids op 22 januari 1993.