Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
nr. 29.183
20 oktober 1993
PdM
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van [X] te [Z] tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 25 augustus 1992 betreffende na te melden aan hem voor het jaar 1991 opgelegde aanslag in de afvalstoffenheffing van de gemeente Roermond.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1991 ter zake van het feitelijk gebruik van het perceel gelegen aan de [a-straat 1] te Roermond een aanslag in de afvalstoffenheffing van de gemeente Roermond opgelegd ten bedrage van f 88,20, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van Burgemeester en Wethouders is gehandhaafd. Belanghebbende is van de uitspraak van Burgemeester en Wethouders in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft die uitspraak bevestigd. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij enige klachten aangevoerd, zoals vervat in zijn hier als ingelast te beschouwen beroepschrift in cassatie.
Op 17 mei 1993 is nog een nader geschrift van belanghebbende ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen, maar hierop kan, nu dit is binnengekomen na het einde van de wettelijke termijn voor beroep in cassatie en de wet voor dat beroep geen andere geschriften kent dan beroepschrift en vertoogschrift, geen acht worden geslagen.
Burgemeester en Wethouders hebben bij vertoogschrift het cassatieberoep bestreden.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. Belanghebbende, die blijkens de vaststellingen van het Hof de enige feitelijke gebruiker is van een perceel ten aanzien waarvan voor de gemeente de verplichting bestaat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen, herhaalt in cassatie onder meer zijn voor het Hof gehouden betoog dat erop neerkomt dat de Verordening reinigingsheffingen 1981 van de gemeente [Z] (hierna: de Verordening) wegens strijd met het in artikel 26 IVBP neergelegde gelijkheidsbeginsel onverbindend is nu de Verordening geen tariefsdifferentiatie kent naar het aantal leden waaruit een huishouding bestaat dat van een perceel gebruik maakt en de Verordening ook geen rekening houdt met inkomensverschillen.
3.2. De Verordening voorziet in een gelijke heffing per huishouding van - in 1991 - f 88,20 per jaar. Bij een zodanige gelijke heffing met een tarief van deze hoogte levert een gelijke behandeling van uit een oogpunt van inzameling van huishoudelijke afvalstoffen mogelijk ongelijke gevallen niet een door artikel 26 IVBP verboden discriminatie op. De hierop betrekking hebbende klacht faalt derhalve.
3.3. Bij een bestemmingsheffing als waarvan hier sprake is, past het niet om met inkomensverschillen rekening te houden, zodat het gelijkheidsbeginsel - anders dan belanghebbende meent - in dit opzicht niet aan bod kan komen.
3.4. Ook de overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep en bepaalt dat door de Griffier van de Hoge Raad aan belanghebbende wordt terugbetaald het ter zake van de vervanging van de mondelinge uitspraak bij het Hof gestorte bedrag van f 150, --.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Herrmann en Fleers, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Zandhuis, in raadkamer van 20 oktober 1993.