Hoge Raad der Nederlanden
derde kamer
nr. 28.837
23 februari 1994
TB
ARREST
gewezen op het beroep in cassatie van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Vlissingen tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 31 januari 1992 betreffende na te melden aan de
[X] ,
statutair gevestigd te [Z],
voor het jaar 1990 opgelegde aanslagen in de onroerend-goedbelastingen van de gemeente Vlissingen.
1. Aanslagen en bezwaar
Aan belanghebbende zijn voor het jaar 1990 wegens het genot krachtens zakelijk recht en het feitelijk gebruik van de onroerende zaak, plaatselijk bekend [a-straat 1]-x, sectie M, te Vlissingen, op één aanslagbiljet verenigde aanslagen in de onroerend- goedbelastingen opgelegd naar een heffingsgrondslag van f 2.700.000, -- , welke aanslagen, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het Hoofd van de sectie Financiën van de sector Middelen van de gemeente Vlissingen zijn gehandhaafd.
2. Verordening
In de Gemeente Vlissingen geldt een Verordening onroerend-goedbelastingen van de gemeente Vlissingen, waarvan de voor het onderhavige jaar van belang zijnde bepalingen luiden als volgt:
Artikel 2 Belastingobject.
Deze verordening verstaat onder:
1. Een onroerend goed dan wel het onroerende goed:
a. een gebouwd eigendom met zijn gebouwde aanhorigheden - daaronder begrepen de ondergrond van dat eigendom en die aanhorigheden - en met zijn ongebouwde aanhorigheden;
b. een ongebouwd eigendom, niet zijnde de ondergrond of een aanhorigheid van een gebouwd eigendom, met zijn gebouwde aanhorigheden - daaronder begrepen de ondergrond van die aanhorigheden - en met zijn ongebouwde aanhorigheden;
c. indien gedeelten van de onder a of b bedoelde eigendommen - andere dan de gedeelten van een onroerend goed als bedoeld in artikel 2, tweede lid, letter b van het Besluit gemeentelijke onroerend-goedbelastingen - blijkens hun indeling zijn bestemd om als een afzonderlijk geheel te worden gebruikt: elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, die als zodanig gebruikte gedeelten als één onroerend goed worden aangemerkt;
d. indien twee of meer van de onder a, b of c bedoelde eigendommen of gedeelten van zodanige eigendommen bij eenzelfde belastingplichtige in gebruik zijn en naar maatschappelijke opvatting bij elkaar horen: een zodanig samenstel;
e. indien een gedeelte van een onroerend goed als bedoeld onder a tot en met d buiten de gemeente is gelegen:
het binnen de gemeente gelegen gedeelte;
2. Aanhorigheden;
gebouwde en ongebouwde eigendommen of gedeelten van zodanige eigendommen behorende bij en in gebruik zijnde met een gebouwd eigendom, een ongebouwd eigendom of een gedeelte van een zodanig eigendom, voor zover die eerstbedoelde eigendommen, naar de omstandigheden beoordeeld, dienstbaar zijn aan dat gebouwde eigendom, dat ongebouwde eigendom of dat gedeelte;
Artikel 3.
1. De grondslag van de belastingen is de waarde in het economische verkeer van het onroerende goed.
2. Enzovoorts.
6. Bij de toepassing van het bepaalde in de voorgaande leden blijft buiten aanmerking de waarde van tot het onroerende goed behorende, daaraan al dan niet aard- of nagelvast verbonden werktuigen welke verwijderd kunnen worden met behoud van hun waarde als zodanig en niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.
7. Enzovoorts.
3. Geding voor het Hof
Belanghebbende is van de uitspraak van Burgemeester en Wethouders in beroep gekomen bij het Hof, dat de uitspraak heeft vernietigd en de aanslagen heeft verminderd tot aanslagen naar een heffingsgrondslag van f 320.000, --. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
4. Geding in cassatie
Burgemeester en Wethouders hebben tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft het beroep bij vertoogschrift bestreden.
De Advocaat-Generaal Moltmaker heeft op 20 oktober 1993 geconcludeerd tot vernietiging van 's Hofs uitspraak en tot bevestiging van de uitspraak van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Vlissingen op het bezwaarschrift.
5. Beoordeling van de klachten
5.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Het met toepassing van artikel 1, onder c, 4, van het Besluit gemeentelijke onroerend-goedbelastingen (hierna: het Besluit) als één onroerende zaak aan te merken windmolenpark bestaat uit een perceel grond met een oppervlakte van ongeveer 52 are waarop 13 windturbines staan, die zijn geplaatst in een lijnopstelling met een onderlinge afstand van circa 100 meter. Zij hebben elk een mast met een lengte van ongeveer 30 meter, die als ongetuide buismast is vervaardigd uit plaatstaal met een hoge treksterkte. De mast heeft tot circa 16 meter hoogte een diameter van ongeveer 1.90 meter en loopt daarboven smaller toe. Aan het boveneinde van de mast bevinden zich drie rotorbladen, vervaardigd uit - met glasvezel versterkt - polyester, waarvan de diameter ongeveer 20 meter bedraagt. Aan de mastvoet is een regelkast geplaatst. Elke windturbine is geplaatst op een betonnen voet met een dikte van ongeveer 1 meter, die rust op betonnen palen. Het grondbeslag voor deze fundering bedraagt circa 26 m2. De windturbines zijn op vrij eenvoudige wijze verplaatsbaar door het losdraaien van de bouten waarmee zij zijn vastgezet op de betonnen voet. Tot de windturbines behoren voorts generatoren, gondels met vertragingsmechanisme, tandwielkasten, kruimotoren en terugleveringsapparatuur.
5.2. Voor zover de klachten berusten op de opvatting dat artikel 3, lid 6, van de Verordening en artikel 5, aanhef en letter a van het Besluit onverbindend zijn omdat deze bepalingen niet inhouden een nadere regeling als bedoeld in artikel 273, negende lid, van de gemeentewet, maar een niet geoorloofde afwijking van hetgeen in het derde, vierde en vijfde lid van dat artikel is bepaald met betrekking tot de waardering van onroerende zaken, falen zij. Bij arrest van 17 juni 1992, nr. 27.639, gepubliceerd in BNB 1992/296, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat voor die opvatting geen plaats is.
5.3. Van een gebouwd eigendom in de zin van artikel 2, aanhef en lid 1, letter a, en artikel 3, lid 6, van de Verordening is sprake niet alleen bij gebouwen maar ook bij werken die naar aard en inrichting bestemd zijn om duurzaam ter plaatse te blijven. Hierbij is niet van belang of technisch de mogelijkheid bestaat het (gebouw of) werk te verplaatsen.
5.4. Het Hof heeft door bij zijn oordeel dat de onderhavige windturbines niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken, betekenis toe te kennen aan de omstandigheid dat de turbines zonder hun functie als zodanig te verliezen betrekkelijk eenvoudig zijn te verplaatsen, dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
5.5. Dit oordeel wordt in cassatie derhalve terecht bestreden. De uitspraak van het Hof kan niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen.
5.6. Mede in aanmerking genomen dat het begrip "gebouwd eigendom", zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 10 december 1980, nr. 19.869, gepubliceerd in BNB 1981/45, ruim moet worden opgevat, laten de onder 5.1 vermelde vaststaande feiten geen andere gevolgtrekking toe dan dat de windturbines moeten worden aangemerkt als werken die naar hun aard en inrichting bestemd zijn om duurzaam ter plaatse te blijven. Burgemeester en Wethouders hebben derhalve terecht de windturbines bij de vaststelling van de heffingsgrondslag in aanmerking genomen.
5.7. Zoals de Hoge Raad bij voormeld arrest van 17 juni 1992 heeft geoordeeld kan tot een als gebouwde eigendom aan te merken werktuig apparatuur behoren die onder de werktuigenvrijstelling valt. Blijkens het zich bij de stukken van het geding bevindende, bij de aanslagregeling gevolgde taxatierapport zijn bij de taxatie als vrijgestelde werktuigen aangemerkt de tot een windturbine behorende generator, tandwielkasten, kruimotor en terugleveringsapparatuur.
5.8. Belanghebbendes opvatting dat ook de mast en de wieken onder de werktuigenvrijstelling vallen, kan niet als juist worden aanvaard, nu deze zelf het werktuig vormen dat als een gebouwde eigendom moet worden aangemerkt. Uit 's Hofs uitspraak en de stukken van het geding blijkt niet dat belanghebbende voor het Hof heeft aangevoerd dat nog andere onderdelen van de windturbines onder de werktuigenvrijstelling vallen.
5.9. Het vorenoverwogene brengt mee dat de uitspraak van het Hof moet worden vernietigd en dat de uitspraak van het Hoofd moet worden bevestigd.
6. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.
7. Beslissing
De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en bevestigt de uitspraak van het Hoofd.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Stoffer als voorzitter, en de raadsheren Wildeboer, Urlings, Zuurmond en Herrmann, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van der Vegt, in raadkamer van 23 februari 1994.