8 april 1997
Strafkamer
Nr. 602-96-V
CJIB 10194122
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
Op het beroep in cassatie tegen de beslissing van de Kantonrechter te ’s-Gravenhage van 10 juli 1996 betreffende:
[betrokkene] , wonende te [woonplaats] voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] wonende te [woonplaats].
1. De beslissing van de Kantonrechter
De Kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene ongegrond verklaard.
De beslissing van de Kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
[gemachtigde] heeft, als gemachtigde van de betrokkene, tegen de beslissing van de Kantonrechter beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de bestreden beslissing
3.1. Aan de betrokkene is een administratieve sanctie opgelegd ter zake van ‘’parkeren langs gele onderbroken streep’’ op 15 september 1995 te 's-Gravenhage, Willem Dreespark.
3.2. In feitelijke aanleg heeft de gemachtigde van de betrokkene het verweer gevoerd (1) dat de gedraging is verricht op een particulier terrein, dat de toegang tot dit terrein verboden is, uitgezonderd voor het plaatsen van personenauto's toebehorend aan de bewoners van Willem Dreespark 5 t/m 305, en dat dit alles door bij de ingang geplaatste borden is aangegeven, en (2) dat de gele streep op verzoek van de bewonerscommissie door medewerkers van de verhuurder is aangebracht.
3.3. De Kantonrechter heeft het eerste verweer onbesproken gelaten en uitdrukkelijk beslist op het tweede verweer, dat echter eerst van belang kan zijn indien vaststaat dat het terrein als een weg in de zin van art. 1, eerste lid, aanhef en onder b, WVW 1994 moet worden aangemerkt.
3.4. Nu de Kantonrechter daaromtrent niets heeft vastgesteld moet in cassatie worden uitgegaan van de juistheid van hetgeen de betrokkene met betrekking tot de feitelijke situatie ter plaatse heeft gesteld. Voor de beantwoording van de vraag of een particulier terrein dat, zoals aangegeven op bij de ingang geplaatste borden, bestemd is als parkeerplaats uitsluitend voor personenauto's van de bewoners van bepaalde — klaarblijkelijk nabij gelegen — woningen, desondanks als een voor het openbaar verkeer openstaande weg of een daartoe behorend (parkeer)terrein als bedoeld in voormelde wetsbepaling moet worden aangemerkt, is niet zonder meer doorslaggevend de — blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van de Kantonrechter door de Officier van Justitie vermelde — omstandigheid dat er geen feitelijke belemmeringen bestaan om het terrein te betreden. Beslissend is of het terrein feitelijk voor het openbaar verkeer openstaat en daarvoor zijn mede van belang de verdere feitelijke omstandigheden, zoals of door de rechthebbende(n) wordt geduld dat het algemene verkeer gebruik maakt van het terrein. Het in de bestreden beslissing besloten liggende oordeel van de kantonrechter dat de gedraging ter zake waarvan de sanctie is opgelegd op een voor het openbaar verkeer openstaande weg is verricht is zonder motivering, welke in de bestreden beslissing echter ontbreekt, niet begrijpelijk.
3.5. Uit het vorenoverwogene volgt dat de bestreden beslissing niet naar de eis der wet met redenen is omkleed.
4. Beslissing
De Hoge Raad vernietigt de bestreden beslissing en wijst de zaak terug naar het Kantongerecht te 's-Gravenhage ter behandeling en beslissing met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Davids en Van Erp Taalman Kip-Nieuwenkamp, in bijzijn van de waarnemend-griffier Bijvoet, en uitgesproken op 8 april 1997.