1 september 1998
Strafkamer
nr. 107.436
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 2 april 1996 in de strafzaak tegen:
[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1941, wonende te [woonplaats] , ten tijde van het instellen van beroep in cassatie gedetineerd in [A] .
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Kantonrechter te Amsterdam van 14 juni 1994 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 54 van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Amsterdam (oud)" veroordeeld tot een geldboete van éénhonderd vijftig gulden, subsidiair drie dagen hechtenis.
2. Het cassatieberoep
Het beroep is ingesteld door de verdachte.
Namens deze heeft mr G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. De conclusie van het Openbaar Ministerie
De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
4. Bewezenverklaring
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
op 23 oktober 1993 in de gemeente Amsterdam op voor anderen hinderlijke wijze zich heeft opgehouden in een liftportaal van perceel Amstel 1 en dit liftportaal heeft gebezigd voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte was bestemd, immers ging hij, verdachte, toen aldaar op verdovende middelen gelijkende waar gebruiken.
5. Beoordeling van het middel
5.1. De Rechtbank heeft geoordeeld dat hetgeen onder 4 is vermeld overtreding oplevert van artikel 54 (oud) van de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Amsterdam. Het in het vonnis besloten liggende oordeel dat artikel 54 niet onverbindend is, geeft niet blijk van een verkeerde rechtsopvatting, in aanmerking genomen dat artikel 54 niet in strijd is met de in het middel genoemde bepalingen, nu de norm in zoverre is geconcretiseerd dat het gaat om in dit artikel omschreven gedrag in - onder andere - een portaal.
5.2. Het middel faalt dus.
6. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Hermans als voorzitter, en de raadsheren Aaftink en Orie, in bijzijn van de griffier Bogaert, en uitgesproken op 1 september 1998.