ECLI:NL:HR:1998:ZD1317

ECLI:NL:HR:1998:ZD1317, Hoge Raad, 24-11-1998, 108.025

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 24-11-1998
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 108.025
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:1998:ZD1317
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 6 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001903 BWBR0001941

Samenvatting

Aanwezig hebben van 12 kilo cocaïne in sporttas, die verdachte op verzoek van zijn buurman heeft meegenomen uit Suriname, op Schiphol (art. 2.1.C Opiumwet). Bewijsklacht, tegenstrijdigheid tussen nadere bewijsoverweging en overweging t.a.v. verweer. Feit is ex art. 2.1.C jo. 10.1 en 13.1 Opiumwet strafbaar als overtreding. Indien bij dader opzet aanwezig is, is er ex art. 10.2 jo. 13.2 Opiumwet sprake van misdrijf. Hof heeft echter opzet bij verdachte niet aanwezig geacht en daarom verdachte van het hem primair en subsidiair tlgd. vrijgesproken. In delictsomschrijving van art. 2.1.C jo. 10.1 Opiumwet is niet bestanddeel "schuld" opgenomen. Degene t.a.v. wie dat feit is bewezenverklaard zal echter ontslagen moeten worden van alle rechtsvervolging indien sprake is van afwezigheid van alle schuld. Gelet hierop moet hetgeen hof in nadere bewijsoverweging heeft overwogen aldus worden verstaan dat hof, dat kennelijk bij vergissing spreekt van "het culpoze delict", daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat t.a.v. bewezenverklaarde, door verdachte gepleegde overtreding geen sprake is van afwezigheid van alle schuld, nu hij tas met een voor hem onbekende inhoud heeft meegenomen van Suriname naar Nederland. Dat oordeel is evenwel onbegrijpelijk in het licht van hetgeen hof onder hoofd "bespreking van verweer" heeft overwogen. Hof heeft daar immers geoordeeld dat van verdachte in redelijkheid niet kon worden gevergd dat hij onderzoek instelde naar inhoud van meegegeven tas, noch dat hij zich er anderszins rekenschap van had moeten geven dat er cocaïne in tas verborgen kon zijn. Indien verdachte zich geen rekenschap behoeft te geven van aanwezigheid van verboden middel, valt hem die aanwezigheid niet te verwijten. Er is dan geen sprake van verwijtbare onwetendheid. Daarmee is niet verenigbaar hetgeen hof in nadere bewijsoverweging heeft overwogen. Daar staat immers dat niet gezegd kan worden dat aan verdachte geen enkel verwijt kan worden gemaakt. ‘s Hofs arrest is aldus niet naar de eis der wet met redenen omkleed. Volgt vernietiging en verwijzing. CAG: anders.

Uitspraak

24 november 1998

Strafkamer nr. 108.025

SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 10 juni 1997 alsmede tegen alle op de terechtzitting van dit Hof gegeven beslissingen in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1928, zonder bekende woonplaats hier te lande, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in het Huis van Bewaring " [A] " te [plaats] .

1. De bestreden einduitspraak

1.1. Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Haarlem van 7 maart 1997 en de aanvulling van 21 maart 1997- verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding primair en subsidiair tenlastegelegde en hem voorts ter zake van "handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot zes maanden hechte nis.

1.2. Het verkorte arrest van het Hof als bedoeld in art. 365, tweede lid, Sv en de aanvulling daarop zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.

2. Geding in cassatie

Het beroep, dat zich kennelijk niet richt tegen de gegeven vrijspraken, is ingesteld door de verdach te. Namens deze heeft mr G.P. Hamer, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voor gesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het eerste middel strekt ten betoge dat de bewezenverklaring gelet op de nadere bewijsoverweging van het Hof niet naar de eis der wet met redenen is om kleed.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is, kort gezegd, bewezenverklaard dat hij een hoeveelheid cocaïne aanwezig heeft gehad. Dat feit is ingevolge art. 2, eerste lid aanhef en onder C in verbinding met art.10, eerste lid, Opiumwet strafbaar, en wel - gelet op art. 13, eerste lid van die wet - als overtreding.

3.2.2. Indien in een geval als het onderhavige bij de dader opzet aanwezig is, is er ingevolge art. 10, tweede lid, in verbinding met art. 13, tweede lid, Opiumwet sprake van een misdrijf. Het Hof heeft ech ter opzet bij de verdachte niet aanwezig geacht en daarom de verdachte van het hem primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken.

3.2.3. In de delictsomschrijving van art. 2, eerste lid aanhef en onder C in verbinding met art. 10, eerste lid, Opiumwet is niet het bestanddeel "schuld" opgenomen. Degene ten aanzien van wie dat feit is bewezenverklaard zal echter ontslagen moeten worden van alle rechtsvervolging indien sprake is van afwezigheid van alle schuld.

3.3. Tegen de achtergrond van het vorenoverwogene moet hetgeen het Hof onder het hoofd "Nadere bewijs overweging" heeft overwogen aldus worden verstaan dat het Hof, dat kennelijk bij vergissing spreekt van "het culpoze delict", daarin tot uitdrukking heeft gebracht dat ten aanzien van de bewezenverklaarde, door de verdachte gepleegde overtreding geen sprake is van afwezigheid van alle schuld, nu hij een tas met een voor hem onbekende inhoud heeft meegenomen van Suriname naar Nederland.

3.4. Dat oordeel is evenwel onbegrijpelijk in het licht van hetgeen het Hof op blz. 2 van het arrest onder het hoofd "Bespreking van een verweer" heeft overwogen. Het Hof heeft daar immers geoordeeld dat van de verdachte in redelijkheid niet kon worden gevergd dat hij een onderzoek instelde naar de inhoud van de meegegeven tas, noch dat hij zich er anders zins rekenschap van had moeten geven dat er cocaïne in de tas verborgen kon zijn. Indien een verdachte zich geen rekenschap behoeft te geven van aanwezig heid van een verboden middel, valt hem die aanwezig heid niet te verwijten. Er is dan geen sprake van verwijtbare onwetenheid. Daarmee is niet verenigbaar hetgeen het Hof op blz. 3 van zijn arrest onder het hoofd "Nadere bewijsoverweging" heeft overwogen. Daar staat immers dat niet gezegd kan worden dat aan de verdachte geen enkel verwijt kan worden gemaakt. Het bestreden arrest is aldus niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.5. Het middel is dus gegrond.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak voorzover aan 's Hogen Raads oordeel onderworpen niet in stand kan blijven, het tweede middel geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president Haak als voorzitter, en de raadsheren Bleichrodt, Schipper, Corstens en Aaftink, in bijzijn van de griffier Van de Griendt, en uitgesproken op 24 november 1998.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 2000, 54 met annotatie van D.H. de Jong
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?