7 mei 1999
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/023HR
CS
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest in de zaak van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr B.F.F. Gosschalk-Davidson.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een begin december 1998 ter griffie van de Rechtbank te Almelo ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht zijn op 17 juni 1998 uitgesproken faillissement op te heffen, onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Na een mondelinge behandeling van het verzoek ter terechtzitting van 15 december 1998 heeft de Rechtbank bij vonnis van 6 januari 1999 het verzoek afgewezen.
Tegen dit vonnis heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem.
Bij arrest van 28 januari 1999 heeft het Hof [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. [Verzoeker] heeft zijn beroep schriftelijk doen toelichten door zijn advocaat.
De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [verzoeker] in zijn verzoek.
De advocaat van [verzoeker] heeft bij brief van 16 april 1999 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Tegen de op 28 januari 1999 ter openbare terechtzitting door het Hof gedane uitspraak, waarbij [verzoeker] niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn hoger beroep tegen de afwijzing van zijn verzoek tot opheffing van zijn faillissement en tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, stond ingevolge art. 15c F.gedurende acht dagen na die uitspraak beroep in cassatie open. De cassatietermijn verstreek dus op 5 februari 1999, zodat het op 9 februari 1999 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen cassatierekest niet tijdig is ingediend. Dit leidt tot het oordeel dat [verzoeker] niet- ontvankelijk is in zijn beroep. De omstandigheid dat de uitspraak van het Hof voor [verzoeker] eerst op 8 februari 1999 kenbaar was - naar de Hoge Raad begrijpt: in schriftelijke vorm - kan daaraan niet afdoen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn beroep.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren Korthals Altes, als voorzitter, Van der Putt-Lauwers en Fleers, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Royer op 7 mei 1999.