4 februari 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/188HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de patiënte],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr G.E.M. Later.
1. Het geding in feitelijke instantie
De Officier van Justitie in het arrondissement Amsterdam heeft op 31 augustus 1999 onder overlegging van een op 26 augustus 1999 ondertekende geneeskundige verklaring een vordering ingediend bij de Rechtbank aldaar tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot het doen voortduren van het verblijf van [de patiënte] tot cassatie - verder te noemen: [de patiënte] - in een psychiatrisch ziekenhuis.
Nadat de Rechtbank [de patiënte], bijgestaan door haar advocaat, de behandelend arts en een verpleegkundige op 9 september 1999 had gehoord, heeft zij bij beschikking van 9 september 1999 de voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [de patiënte] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
Het middel faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal Langemeijer.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren Herrmann, als voorzitter, Van der Putt-Lauwers en Fleers, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 4 februari 2000.