4 februari 2000
Eerste Kamer
Nr. C98/167HR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
de onderlinge waarborgmaatschappij
OZ ZORGVERZEKERINGEN U.A.,
gevestigd te Breda,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr A.R. Sturhoofd,
t e g e n
[bestuurder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr E. van Staden ten Brink.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiseres tot cassatie - verder te noemen: OZ Zorgverzekeringen - heeft bij exploit van 1 september 1994 verweerder in cassatie - verder te noemen: [bestuurder] - gedagvaard voor de Rechtbank te Breda en gevorderd [bestuurder] te veroordelen om aan OZ Zorgverzekeringen te betalen een bedrag van ƒ 34.319,22, vermeerderd met de wettelijke rente als in de dagvaarding omschreven.
[Bestuurder] heeft een incidentele vordering tot oproeping in vrijwaring van de Stichting PZZ, gevestigd te Kloetinge, gemeente Goes, ingesteld.
Na referte door OZ Zorgverzekeringen heeft de Rechtbank bij vonnis van 27 december 1994 in het incident [bestuurder] toegelaten voormelde stichting in vrijwaring te dagvaarden.
[Bestuurder] heeft de vordering bestreden.
De Rechtbank heeft bij vonnis van 8 augustus 1995 in de hoofdzaak de vordering afgewezen. In het incident heeft de Rechtbank [bestuurder] in de proceskosten aan de zijde van OZ Zorgverzekeringen veroordeeld.
Tegen dit vonnis heeft OZ Zorgverzekeringen in de hoofdzaak hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch. [Bestuurder] heeft tegen voormeld von-
nis incidenteel hoger beroep ingesteld, voor zover hij daarin in de kosten in het vrijwaringsincident is veroordeeld.
Bij arrest van 10 februari 1998 heeft het Hof in het principaal appel het bestreden vonnis bekrachtigd, behoudens voor zover [bestuurder] daarbij is veroordeeld in de kosten van het incident. In het incidenteel appel heeft het Hof voormeld vonnis vernietigd voor zover [bestuurder] daarbij is veroordeeld in de kosten van het incident, en in zoverre opnieuw rechtdoende OZ Zorgverzekeringen veroordeeld in de kosten van het vrijwaringsincident aan de zijde van [bestuurder] gevallen.
Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het Hof heeft OZ Zorgverzekeringen beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Bestuurder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal De Vries Lentsch-Kostense strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt OZ Zorgverzekeringen in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [bestuurder] begroot op ƒ 977,20 aan verschotten en ƒ 3.000,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Neleman, Herrmann, Van der Putt-Lauwers en Fleers, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 4 februari 2000.