25 februari 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/008HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr E. Grabandt,
t e g e n
[de man],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 6 mei 1997 ter griffie van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch ingediend verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht te bepalen dat verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift met een bedrag van ƒ 250,-- per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de dochter], geboren op [geboortedatum] 1993. Ter terechtzitting van 30 september 1997 heeft de vrouw haar verzoek aangevuld en verzocht te bepalen dat de man dient mee te werken aan een DNA-onderzoek ter vaststelling van het biologisch vaderschap van [de dochter] voornoemd.
De man heeft het verzoek bestreden.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 30 december 1997 het verzoek afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij beschikking van 13 november 1998 heeft het Hof voormelde beschikking van de Rechtbank bekrachtigd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De man heeft in cassatie geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren De Savornin Lohman en Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer De Savornin Lohman op 25 februari 2000.