17 maart 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/084HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr J.G. Pherai,
t e g e n
DE GEMEENTE 's-Gravenhage,
gevestigd te 's-Gravenhage,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 23 april 1996 gedateerd verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter te 's-Gravenhage en verzocht te bepalen dat een bedrag van ƒ 26.014,-- van [partner van verzoeker] en verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [partner van verzoeker] en [verzoeker] - en dat er daarenboven een bedrag van ƒ 695,21 van [partner van verzoeker] terstond en in het geheel opeisbaar zal zijn.
[Verzoeker] heeft het verzoek bestreden.
De Kantonrechter heeft bij beschikking van 27 januari 1997 het verzoek van de Gemeente toegewezen.
Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Gravenhage.
De Gemeente heeft verzocht voormelde beschikking van de Kantonrechter te bekrachtigen.
Bij beschikking van 2 maart 1998 heeft de Rechtbank [verzoeker] tot bewijslevering toegelaten en bij eindbeschikking van 15 februari 1999 de bestreden beschikking bekrachtigd.
Beide beschikkingen van de Rechtbank zijn aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de eindbeschikking van de Rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verzoeker] heeft de zaak schriftelijk doen toelichten door zijn advocaat.
De Gemeente is in cassatie niet verschenen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Spier strekt tot niet-ontvankelijkverklaring.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1 In deze procedure is het inleidend verzoekschrift, strekkende tot terugvordering van kosten van bijstand, door de Gemeente ingediend op 29 april 1996, derhalve na inwerkingtreding van de nieuwe Algemene bijstandswet (Abw) en vóór de op 1 juli 1997 in werking getreden wijziging van de daarin gegeven bepalingen betreffende terugvordering bij de Wet van 25 april 1996, Stb. 248. Hieruit volgt dat in dit geding van toepassing zijn de procedureregels voor de terugvordering in rechte volgens de Abw, zoals deze regels luidden van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997. Volgens het in die periode geldende art. 88 lid 2 Abw is op het verzoekschrift tot terugvordering “het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing”. Voor het cassatieberoep bepaalt - het ook in genoemde periode geldende - art. 426 lid 1 Rv. dat het beroep kan worden ingesteld binnen twee maanden na de dagtekening der beschikking (vgl. HR 20 februari 1998, nr. 9041, NJ 1999, 561).
Nu de bestreden beschikking is gedateerd 15 februari 1999 en het verzoekschrift waarbij cassatieberoep wordt ingesteld op 23 april 1999 bij de Hoge Raad is binnengekomen, is de voor het cassatieberoep beschikbare termijn overschreden. Het beroep zal derhalve niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
3.2 Hetgeen door [verzoeker] is aangevoerd ter rechtvaardiging van de termijnoverschrijding kan niet tot een ander oordeel leiden. Noch art. 14 IVBPR noch art. 6 EVRM staat eraan in de weg dat, hoewel de bestreden beschikking eerst tien dagen na te zijn uitgesproken is verzonden, [verzoeker] niet gebonden zou zijn aan de in art. 426 lid 1 Rv. voorgeschreven termijn. Aannemende dat [verzoeker] eerst na de verzending kennis kreeg van de bestreden beschikking, resteerde voor hem voldoende tijd om beroep in te stellen. Voorzover [verzoeker] heeft beoogd een beroep te doen op toepassing van art. 6:11 Awb (vgl. HR 28 mei 1999, nr. R98/110, NJ 1999, 613), moet dit beroep van de hand worden gewezen nu [verzoeker] in cassatie geen omstandigheden heeft aangevoerd die de gevolgtrekking wettigen dat de indiening van het cassatieberoep zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk heeft plaatsgevonden. Met name kan voor het antwoord op de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is niet als aanknopingspunt dienen dat sprake zou zijn van “een wirwar van regels”, nu dit tot een voor de praktijk niet goed te hanteren maatstaf zou leiden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren Herrmann, als voorzitter, Van der Putt-Lauwers en Fleers, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 17 maart 2000.