7 april 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/029HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[de moeder],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr E. Grabandt,
t e g e n
STICHTING JEUGDBESCHERMING EN JEUGDHULP- VERLENING IN LIMBURG,
gevestigd te Roermond,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr J.H.F. Schultz van Haegen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 16 maart 1998 ter griffie van de Rechtbank te Roermond ingediend verzoekschrift heeft de Raad voor de Kinderbescherming te Roermond zich gewend tot die Rechtbank en verzocht verzoekster tot cassatie - verder te noemen: de moeder - te ontheffen van het ouderlijk gezag over de minderjarige [zoon], geboren te [woonplaats] op [geboortedatum] 1995.
Bij brief van 12 maart 1998 heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Stichting - zich bereid verklaard de voogdij over voornoemde minderjarige te aanvaarden.
De moeder heeft het verzoek bestreden.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 15 juli 1998 het verzoek afgewezen.
Tegen deze beschikking heeft de Stichting hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij beschikking van 16 december 1998 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep vernietigd, de moeder ontheven van het gezag over voornoemde minderjarige, en de Stichting tot voogdes over deze minderjarige benoemd.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de moeder beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Stichting heeft een verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst Moltmaker strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 Het gaat in dit geding om het volgende.
De moeder heeft op [geboortedatum] 1995 het leven geschonken aan een zoon genaamd [de zoon]. Zij is ongehuwd. Wie de biologische vader van [de zoon] is, is niet bekend. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de zoon].
Sedert 8 juni 1995 is [de zoon] op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming onder toezicht gesteld. Sedert 5 juli 1995 is hij op grond van een machtiging van de kinder-rechter uit huis geplaatst. De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing zijn laatstelijk verlengd tot 8 juni 1999. Sedert 5 juli 1995 verblijft [de zoon] in het zelf-de pleeggezin.
Omdat de perspectieven voor terugplaatsing van [de zoon] bij de moeder niet zijn verbeterd, heeft de Raad voor de Kinderbescherming op de voet van art. 1:268 lid 2, aanhef en onder a, BW, de ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag over [de zoon] verzocht. De Rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. Het Hof heeft de moeder echter alsnog ontheven van het ouderlijk gezag over [de zoon] en de Stichting benoemd tot voogdes.
Tegen deze beslissing keert zich het middel.
3.2 Het Hof heeft geoordeeld dat is gebleken dat de maatregel van ondertoezichtstelling van [de zoon] wegens de ongeschiktheid en de onmacht van de moeder om haar verplich-ting tot verzorging en opvoeding van [de zoon] te vervullen, onvoldoende is om hem te behoeden voor zedelijke en lichame-lijke ondergang. Daarbij heeft het Hof, naar blijkt uit zijn rov. 4.8, uitdrukkelijk overwogen dat het verblijf van [de zoon] bij de pleegouders tot op heden de instem-ming van de moeder heeft gehad. Het Hof heeft zulks evenwel onvoldoende geacht om niet tot een ver-der-strekkende maatregel te besluiten. Voorts heeft het Hof geoordeeld dat onvoldoende valt uit te sluiten dat de moeder in de nabije toekomst niet langer zal instemmen met de uit-huisplaatsing.
Onderdeel 1 mist feitelijke grondslag voorzover het het Hof verwijt dat het heeft miskend dat de moeder immer heeft ingestemd met het verblijf van [de zoon] bij de pleegou-ders. Uit de hiervoor weergegeven overwegingen van het Hof blijkt dat het Hof zulks wel in zijn beoordeling heeft be-trok-ken.
Voorzover het onderdeel betoogt dat 's Hofs oordeel dat niet valt uit te sluiten dat de moeder in de nabije toe-komst niet langer zal instemmen met de uithuis-plaatsing on-begrijpelijk is omdat niet is gebleken dat de moeder voor-ne-mens is haar bereidverklaring om [de zoon] bij de pleegouders te laten in te trek-ken, faalt het. De door het Hof voor zijn oordeel gegeven motivering is alleszins begrijpelijk en vol-doende gemotiveerd.
3.3 Het Hof heeft in zijn rov. 4.8, zesde alinea, geoor-deeld dat, nu [de zoon] vanaf de tijd kort na zijn geboorte in het pleeggezin verblijft en een ongestoorde voortgezette hechting in het pleeggezin in het belang van het kind is, vergaande eisen moeten worden gesteld aan de duurzaam-heid van de bereidheid van de moeder om het kind in het pleegge-zin te laten. Uit 's Hofs, hiervoor onder 3.2, laatste alinea weergege-ven, overweging blijkt dat het van oordeel is dat die duurzaamheid ten deze ontbreekt.
Voorzover onderdeel 2 het eerst vermelde oordeel met een rechts-klacht bestrijdt, faalt het omdat het niet van een onjuiste rechtsopvatting blijk geeft. De motiverings-klachten van onderdeel 2 falen omdat de door het Hof voor zijn laatstvermelde oordeel gegeven motivering dit oordeel kunnen dragen en die motivering aan de daaraan te stellen eisen voldoet.
3.4 Onderdeel 3 strekt ten betoge dat de enkele omstan-dig-heid dat de moeder het contact met het kind niet geheel wenst te verbreken, niet het oordeel rechtvaardigt dat sprake is van een situatie waarin ruimte is voor ontheffing van de moeder van het ouderlijk gezag. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Het Hof heeft immers in een uitvoerige motivering tal van andere omstandig-heden vermeld, die het tot zijn oor-deel hebben geleid dat onvoldoende valt uit te sluiten dat de moeder in de nabije toekomst niet langer zal instemmen met de uithuisplaatsing. Het onderdeel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president Mijnssen als voorzitter en de raadsheren Herrmann, Fleers, Hammerstein en Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer Heemskerk op 7 april 2000.