11 april 2000
Strafkamer
nr. 112242 U
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
inzake het verzoek van de Duitse
deelstaat Nordrhein-Westfalen
(Bondsrepubliek Duitsland) tot
uitlevering van:
[opgeiste persoon], geboren op [geboortedatum] 1968 te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland), ten tijde van de uitspraak die door de Hoge Raad bij arrest van 22 juni 1999 is vernietigd, verblijvende in het Huis van Bewaring "De Karelskamp" te Almelo.
1. De procesgang
1.1. De Hoge Raad verwijst naar zijn arrest van 22 juni 1999, waarvan een afschrift aan dit arrest is gehecht. In dat arrest heeft de Hoge Raad de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Zutphen van 22 januari 1999 vernietigd. Voorts heeft de Hoge Raad bevolen dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van 7 september 1999 om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering.
1.2. Ter zitting van de Hoge Raad van 7 september 1999 is de opgeëiste persoon niet verschenen. Daarna is het onderzoek drie maal geschorst, onderscheidenlijk tot 26 oktober 1999, 30 november 1999 en
22 februari 2000, steeds in verband met het niet verschijnen van de opgeëiste persoon. Op 22 februari 2000 is de opgeëiste persoon wederom niet verschenen, dit ondanks een op 30 november 1999 overeenkomstig art. 25, vierde lid, UW uitgevaardigd bevel tot medebrenging.
1.3. De Advocaat_Generaal Jörg heeft op de zitting van 14 maart 2000 geconcludeerd tot niet-ontvanke- lijkverklaring van de Officier van Justitie in zijn vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van de vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek
Op grond van hetgeen hiervoor onder 1.2 is weergegeven, moet het ervoor worden gehouden dat de opgeëiste persoon onvindbaar is. Onder die omstandigheden kan niet worden onderzocht of het verzoek tot uitlevering voor inwilliging vatbaar is, zodat de Officier van Justitie in zijn vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek niet meer kan worden ontvangen.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in zijn vordering tot het in behandeling nemen van het uitleveringsverzoek.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.M.M. Orie, in bijzijn van de
griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 11 april 2000.