ECLI:NL:HR:2000:AA5530

ECLI:NL:HR:2000:AA5530, Hoge Raad, 18-04-2000, 112908 W

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 18-04-2000
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 112908 W
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2000:AA5530
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 15 zaken

Verwijst naar

Samenvatting

-

Uitspraak

18 april 2000

Strafkamer

nr. 112908 W

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie

tegen een uitspraak van de

Politierechter in de Arron-

dissementsrechtbank te Assen

van 15 december 1998 omtrent

een verzoek van de Minister

van Justitie van het Koninkrijk

Denemarken tot overname van

de tenuitvoerlegging van een

rechterlijke beslissing tegen:

[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] (Denemarken) op [geboortedatum] 1949, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Politierechter heeft toelaatbaar verklaard de tenuitvoerlegging van de Deense rechterlijke beslissing van de Rechtbank te Arhus (Denemarken) van 20 juni 1994, waarbij [betrokkene] is veroordeeld tot twintig dagen hechtenisstraf, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twee jaren en zes maanden. De Rechtbank heeft verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van genoemde beslissing en [betrokkene] daartoe ter zake van de in die beslissing vermelde feiten een gevangenisstraf opgelegd van twee weken, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van twaalf maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr C. Borstlap, advocaat te Zwolle, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft gecon- cludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het middel.

3.1. Het middel richt zich tegen de verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijk- verklaring van het Openbaar Ministerie in zijn vervolging op de grond dat bij de behandeling van deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Blijkens de toelichting beoogt het middel er tevens over te klagen dat deze verdragsbepaling is geschonden als gevolg van het tijdsverloop in de cassatiefase, bezien in samenhang met het eerdere verloop van de procedure.

3.2.1. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de Politierechter houdt, voorzover te dezen van belang, het volgende in:

"De raadsman voert onder meer aan dat het

openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden

verklaard in verband met overschrijding van de

redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het

EVRM. Het feit is gepleegd op 2 januari 1993. Dit is

inmiddels bijna zes jaren geleden. Er zijn in deze

zaak, welke niet ingewikkeld van aard is, te veel

periodes van inactiviteit geweest.”

3.2.2. De Politierechter heeft met betrekking tot dit verweer het volgende overwogen en beslist:

"De politierechter is van oordeel dat een periode van ongeveer anderhalf jaar - de "Deense periode" dient naar de mening van de politierechter in onderhavige procedure buiten beschouwing te worden gelaten - in de gegeven omstandigheden niet noodzakelijkerwijze dient te leiden tot hetgeen door de raadsman is betoogd.

De politierechter overweegt daartoe dat hoewel in onderhavige zaak geruime tijd is verlopen, bij afweging van enerzijds het belang dat de gemeenschap behoudt bij normhandhaving en anderzijds het belang van veroordeelde bij verval van tenuitvoerlegging van de aan hem in Denemarken opgelegde straf, daarvan niet het gevolg behoeft te zijn dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in zijn vordering.

De politierechter is derhalve van oordeel dat het verweer van de raadsman moet worden verworpen".

3.3. In deze overwegingen ligt als oordeel van de Politierechter besloten dat in deze zaak de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is aangevangen met de betekening van de vordering van de Officier van Justitie als bedoeld in art. 18, eerste lid, Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen (Wots) tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van de door de Deense rechter aan de betrokkene opgelegde sancties, en dat het tijdsverloop nadien niet zodanig is dat dit zou behoren te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de Officier van Justitie in zijn vordering.

3.4. Deze oordelen getuigen niet van een onjuiste rechtsopvatting. Zij zijn niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de stukken inhouden:

(a) dat bedoelde vordering op 16 januari 1998 aan de betrokkene - die niet is gedetineerd - is betekend, zulks met diens oproeping voor de behandeling van die vordering ter zitting van de Politierechter van

9 februari 1998;

(b) dat de Politierechter in de naar aanleiding van die zitting gewezen uitspraak van 16 februari 1998 de Officier van Justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat niet gebleken was dat het vonnis van de Deense rechter op de voet van art. 45 Wots aan de betrokkene was betekend;

(c) dat dit vonnis op 21 augustus 1998 alsnog aan de betrokkene is betekend;

(d) dat op 3 november 1998 een nieuwe vordering aan de betrokkene is betekend, zulks met diens oproeping voor de behandeling van die vordering ter zitting van de Politierechter van 15 december 1998;

(e) dat de thans bestreden uitspraak is gewezen naar aanleiding van die zitting.

In zoverre faalt het middel derhalve.

3.5. Nu het verweer van de raadsman, zoals onder

3.2.1 weergegeven, enkel strekte tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie wegens overschrijding van de redelijke termijn, behoefde de Politierechter zijn kennelijke en niet onbegrijpelijke oordeel dat het tijdsverloop evenmin gevolgen diende te hebben voor de straftoemeting niet nader te motiveren. Voorzover het middel over de motivering van de strafoplegging klaagt kan het daarom evenmin slagen.

3.6. De klacht dat de behandeling van de zaak in verband met de duur van de behandeling van het cassatieberoep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn faalt eveneens. Dat behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of van de rechtsontwikkeling.

3.7. Uit het voorgaande volgt dat het middel tevergeefs is voorgesteld.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden,

terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer

C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.M. Orie en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 18 april 2000.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOL 2000, 269 NJ 2000, 462
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?