6 juni 2000
Strafkamer
nr. 112160
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Kantonrechter te Eindhoven van 6 januari 1998 in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
1.1. De Kantonrechter heeft de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 84 lid 2 aanhef/onder b van de Algemene politie verordening Eindhoven" veroordeeld tot een geldboete van vijftig gulden, subsidiair één dag hechtenis.
1.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting van de Kantonrechter van 6 januari 1998, waarin is aangetekend het mondeling vonnis, is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.G.J. de Rooij, advocaat te Eindhoven, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Bewezenverklaring
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:
"op 18 oktober 1996 in de gemeente Eindhoven op de weg of op vanaf de weg zichtbare wijze op enig onroerend goed, te weten een electriciteitshuis op of aan de Woenselsemarkt, terwijl hij, verdachte geen rechthebbende op dit goed was, zonder schriftelijke toestemming van die rechthebbende, een aanplakbiljet of een ander geschrift, afbeelding of aanduiding heeft aangeplakt of op andere wijze heeft bevestigd".
4. Beoordeling van het eerste middel
4.1. De klacht dat zich bij de gedingstukken niet een overeenkomstig art. 395, tweede lid onder c, Sv uitgewerkt vonnis bevindt, kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden. Ook de klacht, dat in het proces-verbaal niet zou zijn vermeld dat de verdachte ter terechtzitting de Kantonrechter heeft verzocht hem een zodanig hogere boete op te leggen dat hoger beroep openstond, kan niet worden onderzocht omdat niet vaststaat dat een zodanig verzoek ter terechtzitting is gedaan. Die klacht ziet er overigens aan voorbij dat een vonnis als het onderhavige ingevolge art. 101 RO wegens geen ander verzuim van vormen kan worden vernietigd dan aldaar is omschreven.
4.2. Het middel is dus ondeugdelijk.
5. Beoordeling van het tweede middel
5.1. In het middel wordt aangevoerd dat de Kantonrechter ten onrechte niet heeft beslist op een verweer daartoe strekkende dat art. 84, tweede lid aanhef en onder b, APV Eindhoven - op welke bepaling de tenlastelegging kennelijk was toegesneden - wegens strijd met art. 7 van de Grondwet niet verbindend is.
5.2. Het middel kan, gelet op hetgeen de Kantonrechter in de aantekening van het mondeling vonnis onder 5 heeft overwogen, bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.
6. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
7. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.E. Haak als voorzitter, en de raadsheren C.J.G. Bleichrodt, G.J.M. Corstens, A.M.M. Orie en
A.M.J. van Buchem-Spapens, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 6 juni 2000.