11 juli 2000
Strafkamer
nr. 01704/99 U
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een
uitspraak van de Arrondissementsrechtbank
te Maastricht van 17 augustus 1999
omtrent een verzoek van de Minister van
Binnenlandse Zaken en Justitie van de
deelstaat Nordrhein-Westfalen
(Bondsrepubliek Duitsland) tot uitlevering
van:
[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Italië) op [geboortedatum] 1958, wonende te [woonplaats], en tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in Penitentiaire Inrichting “De Geerhorst” te Sittard.
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Bondsrepubliek Duitsland toelaatbaar verklaard ter strafvervolging van [de opgeëiste persoon] ter zake van de feiten, zoals omschreven in de bestreden uitspraak.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. D. Moszkowicz, advocaat te
‘s-Hertogenbosch, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en een dag zal bepalen waarop de opgeëiste persoon dient te worden opgeroepen om ter zitting van de Hoge Raad te verschijnen om te worden gehoord omtrent het verzoek tot uitlevering.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In het middel wordt er onder meer over geklaagd dat de Rechtbank nader onderzoek, als bedoeld in art. 26, vierde lid, Uitleveringswet, naar de door de opgeëiste persoon opgegeven alibi’s noodzakelijk had behoren te oordelen.
3.2. Het proces-verbaal van de zitting van de Rechtbank van 3 augustus 1999 en de daarin opgenomen pleitnota houdt in dat de raadsman van de opgeëiste persoon heeft verzocht - voor het geval de Rechtbank van oordeel zou zijn dat de opgeëiste persoon er niet in geslaagd was zijn onschuld onverwijld aan te tonen - het onderzoek ter zitting aan te houden voor een nader onderzoek naar de opgegeven alibi’s.
3.3. Het proces-verbaal houdt als beslissing van de Rechtbank op dit verzoek in:
“Voorts wijst de rechtbank het verzoek tot “schorsing van het onderzoek ter terechtzitting “af”.
3.4. In het onder 3.3 weergegeven oordeel van de Rechtbank ligt besloten dat zij een nader onderzoek als bedoeld in art. 26, vierde lid, UW niet noodzakelijk oordeelde. Dat oordeel is tegen de achtergrond van de zich bij de stukken bevindende op schrift gestelde verklaringen van de werkgever en de collega's van de opgeëiste persoon die met bescheiden uit de bedrijfsvoering zijn gestaafd, en welke verklaringen inhouden dat de opgeëiste persoon ten tijde van vier van de vijf aan hem verweten bankovervallen zijn werkzaamheden verrichtte in het in Nederland gevestigde bedrijf, zonder nadere motivering die ontbreekt, niet begrijpelijk.
3.5. De klacht is dus terecht voorgesteld.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, het middel voor het overige geen bespreking behoeft en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Beveelt dat de opgeëiste persoon zal worden opgeroepen te verschijnen ter zitting van de Hoge Raad van dinsdag 12 september 2000 te 15.00 uur om te worden gehoord omtrent het verzoek tot zijn uitlevering.
Dit arrest is gewezen door de vice-president
W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren
G.J.M. Corstens, A.M.M. Orie, A.J.A. van Dorst
en B.C. de Savornin Lohman bijzijn van de griffier
S.P. Bakker, en uitgesproken op 11 juli 2000.