17 november 2000
Eerste Kamer
Rek.nr. R99/024HR
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoekster], wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. ir. P.J.A. Prinsen,
t e g e n
STICHTING BUREAU JEUGDZORG AMSTERDAM (BJA),
rechtsopvolgster van de Stichting Interculturele Jeugdzorg Amsterdam (SiJA), gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding
Op 9 februari 1999 is ter griffie van de Hoge Raad een verzoekschrift binnengekomen, dat er blijkens zijn inhoud toe strekt beroep in cassatie in te stellen tegen een tussen partijen gegeven beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 9 december 1998.
Dit verzoekschrift is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
Ondanks herhaald rappel is door de advocaat van de verzoekster tot cassatie geen dossier overgelegd. Bij brief van 18 januari 2000 is van de zijde van de Hoge Raad aan de advocaat van de verzoekster medegedeeld dat hem nog tot 1 februari 2000 de gelegenheid werd geboden dit verzuim te herstellen. Van deze gelegenheid is geen gebruik gemaakt.
De op 14 juli 2000 genomen conclusie van de Advocaat-Generaal in buitengewone dienst Moltmaker strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verzoekster in het beroep.
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
De Hoge Raad kan bij gebrek aan de daartoe nodige stukken niet vaststellen dat het cassatieberoep tijdig is ingesteld, noch of het middel feitelijke grondslag in de bestreden uitspraak en de gedingstukken vindt. Dit brengt mee dat verzoekster in haar cassatieberoep niet-ontvankelijk is.
3. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de verzoekster tot cassatie niet-ontvankelijk in haar beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, A.E.M. van der Putt-Lauwers en H.A.M. Aaftink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 17 november 2000.