ECLI:NL:HR:2000:ZD1791

ECLI:NL:HR:2000:ZD1791, Hoge Raad, 28-03-2000, 00674/99/U

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 28-03-2000
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 00674/99/U
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2000:ZD1791
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 15 zaken
Aangehaald door 17 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Wettelijke verwijzingen

BWBR0003818 BWBR0004022

Samenvatting

Vervolgingsuitlevering van opgeëiste persoon naar Verenigde Staten t.z.v. samenspanning om vervalste diergeneesmiddelen in handel te brengen teneinde bedrog te plegen. 1. Beroep op toekomstige schending van specialiteitsbeginsel door VS waardoor opgeëiste persoon na zijn uitlevering geen eerlijk proces a.b.i. art. 6 EVRM zal krijgen, art. 15.1 Uitleveringsverdrag Nederland-VS. 2. Dubbele strafbaarheid. Ad 1. Beantwoording van vraag of verzochte uitlevering moet afstuiten op hetgeen namens opgeëiste persoon is aangevoerd omtrent dreigende bestraffing voor andere feiten dan waarvoor uitlevering toelaatbaar is verklaard, komt in beginsel niet toe aan rechter die o.g.v. Uitleveringswet heeft te oordelen over toelaatbaarheid van gevraagde uitlevering, onverminderd diens bevoegdheid om van zijn oordeel dienaangaande blijk te geven in het door hem ex art. 30.2 UW aan minister van justitie uit te brengen advies. Dit kan uitzondering lijden indien blijkt dat opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan zodanig risico van flagrante inbreuk op enig hem o.g.v. art. 6 EVRM toekomend recht dat o.g.v. art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit toepasselijk uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering. Uit het door raadsman aangevoerde kan dit echter niet blijken. Rb heeft verweer terecht verworpen. Ad 2. Gelet op overwegingen Rb t.a.v. dubbele strafbaarheid moet door Rb gegeven beslissing dat verzochte uitlevering toelaatbaar is, aldus worden verstaan dat die beslissing wat betreft samenspanning slechts betrekking heeft op deelnemen aan organisatie v.zv. oogmerk van organisatie was gericht op plegen van feiten die naar Nederlands recht strafbaar zijn gesteld bij art. 225 Sr en dat verzochte uitlevering voor het overige ontoelaatbaar is (vgl. HR NJ 1997/70). Rb heeft evenwel verzuimd dat laatste oordeel in haar beslissing te vermelden. HR zal in zoverre doen wat Rb had behoren te doen. V.zv. is aangevoerd dat strafbaarheid van dit feit naar recht van verzoekende Staat wordt bepaald door zijn Wet voedingswaren en geneesmiddelen, zodat Rb niet had mogen treden in onderzoek naar strafbaarheid volgens art. 140 jo. 225 Sr, wordt miskend dat het o.g.v. art. 2.1 Uitleveringsverdrag Nederland-VS gaat om beoordeling van dubbele strafbaarheid van het materiële feit. Niet van belang is derhalve of volgens verzoekende Staat toepasselijke strafbepaling als zodanig een equivalent heeft in Nederlands recht. V.zv. is betoogd dat dit feit naar Nederlands recht slechts strafbaar is o.g.v. Diergeneesmiddelenwet en dat op overtreding van die wet in WED gestelde straf niet voldoet aan vereisten van art. 2 Uitleveringsverdrag Nederland-VS, stuit middel af op oordeel Rb dat feit naar Nederlands recht oplevert misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij art.140 jo. 225 Sr. Dit oordeel geeft niet blijk van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. HR verklaart uitlevering ontoelaatbaar t.a.v. deelnemen aan criminele organisatie, v.zv. oogmerk van organisatie op iets anders is gericht dan plegen van valsheid in geschrift. CAG: anders t.a.v. partiële ontoelaatbaarverklaring.

Uitspraak

28 maart 2000

Strafkamer

nr. 00674/99/U

AB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 20 oktober 1998 op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van:

[de opgeëiste persoon] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1942, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaard ter strafvervolging van [de opgeëiste persoon] ter zake van de feiten, omschreven in de vervangende akte van beschuldiging van 6 maart 1997.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr C.J. van Bavel, advocaat te Utrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat de Rechtbank het beroep op een te verwachten schending van het specialiteitsbeginsel door de verzoekende Staat met als gevolg dat de opgeëiste persoon na zijn uitlevering geen eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM zal krijgen, ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd heeft verworpen.

3.2. De Rechtbank heeft bedoeld verweer in haar uitspraak als volgt weergegeven en verworpen:

"Door de raadsman is nog aangevoerd, voor het geval de rechtbank de uitlevering ter zake van één of meer beschuldigingen toelaatbaar zou achten, dat gevreesd moet worden dat Amerikaanse rechter zich niet zal houden aan het in artikel 15 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika neergelegde specialiteitsbeginsel, hetgeen tevens schending van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden met zich mee zou brengen. De rechtbank passeert dit verweer, aangezien op vertrouwd mag worden dat de wederpartij bij een verdrag zich aan de bepalingen van het verdrag zal houden".

3.3. Art. 15, eerste lid, Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika houdt onder meer in dat de krachtens dit Verdrag uitgeleverde persoon op het grondgebied van de verzoekende Staat niet mag worden berecht of gestraft ter zake van een ander feit dan datgene waarvoor uitlevering werd toegestaan.

3.4. De beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd omtrent de dreigende bestraffing voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, komt in beginsel niet toe aan de rechter die ingevolge de Uitleveringswet heeft te oordelen over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering, onverminderd diens bevoegdheid om van zijn oordeel dienaangaande blijk te geven in het door hem op de voet van het bepaalde in art. 30, tweede lid, UW aan de Minister van Justitie uit te brengen advies.

3.5. Het vorenstaande kan uitzondering lijden indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan zodanig risico van flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het te dezen toepasselijke uitleveringsverdrag voortvloeiende verplichting tot uitlevering. Uit het door de raadsman aangevoerde kan zulks echter niet blijken.

3.6. De Rechtbank heeft het gevoerde verweer derhalve terecht verworpen, zodat het middel faalt.

4. Beoordeling van het tweede middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dat behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Beoordeling de bestreden uitspraak naar aanleiding van het derde middel en ambtshalve

5.1. Het middel bevat de klacht dat de Rechtbank ten onrechte de dubbele strafbaarheid heeft aangenomen ten aanzien het in de vervangende akte van inbeschuldigingstelling onder 1 sub c omschreven feit.

5.2. De bestreden uitspraak houdt dienaangaande het volgende in:

"De beschuldiging onder punt 1 onder c houdt in dat de opgeëiste persoon heeft samengespannen om verkeerd aangeduide en vervalste geneesmiddelen (de Hoge Raad leest: diergeneesmiddelen) binnen de handel tussen staten onderling te brengen met het oogmerk bedrog te plegen te misleiden.

De Rechtbank stelt allereerst vast dat in ieder geval clenbuterol en vitamines, mede gelet het arrest van de Hoge Raad der Nederlanden d.d. 17 februari 1998 (NJ 1998, nr. 531), zijn aan te merken als diergeneesmiddelen.

Nu het Nederlandse strafrecht de samenspanning als hier bedoeld op zichzelf in deze vorm niet strafbaar stelt, heeft de rechtbank onderzocht of dit feit is te kwalificeren als "Deelneming aan een organisatie die het oogmerk heeft het plegen van misdrijven". Zij is van oordeel dat uitlevering op basis van een dergelijk strafbaar feit slechts mogelijk is voor zover het gaat om misdrijven, waarvoor aan de eis van dubbele strafbaarheid is voldaan en die feiten niet verjaard zijn.

De feiten waarop in dit geval de organisatie betrekking heeft kunnen naar Nederlands recht worden gekwalificeerd als "valsheid in geschrift" (art. 225), gepleegd om zichzelf te bevoordelen. De vermoedelijk gepleegde feiten zijn naar Nederlands recht niet verjaard. Deze feiten zijn derhalve zowel in de Verenigde Staten van Amerika als in Nederland strafbaar: In de Verenigde Staten als:

Conspiracy to commit offense, strafbaar gesteld bij § 371 van Titel 18 van de United States Code.

In Nederland als:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Te dezer zake kan zowel naar het recht van Verenigde Staten van Amerika als naar Nederlands recht een vrijheidsstraf van tenminste 1 jaar worden opgelegd".

5.3. Gelet op deze overwegingen moet de door de Rechtbank gegeven beslissing dat de verzochte uitlevering toelaatbaar is, aldus worden verstaan dat die beslissing voor wat betreft bedoeld feit 1 onder c slechts betrekking heeft op het deelnemen aan een organisatie voorzover het oogmerk van de organisatie was gericht op het plegen van feiten als naar Nederlands recht strafbaar zijn gesteld bij art. 225 Sr en dat de verzochte uitlevering voor het overige ontoelaatbaar is (Vgl. HR 24 september 1996, NJ 1997, 70). De Rechtbank heeft evenwel verzuimd dat laatste oordeel in haar beslissing te vermelden De Hoge Raad zal in zoverre doen wat de Rechtbank had behoren te doen.

5.4. Voorzover het middel strekt ten betoge dat de strafbaarheid van het onder 1 sub c omschreven feit naar het recht van de verzoekende Staat wordt bepaald door zijn Wet Voedingswaren en Geneesmiddelen, zodat de Rechtbank niet had mogen treden in een onderzoek naar de strafbaarheid volgens art. 140 in verbinding met art. 225 Sr, miskent het dat het ingevolge het bepaalde in art. 2, eerste lid, van het te dezen toepasselijke verdrag, gaat om de beoordeling van de dubbele strafbaarheid van het materiële feit. Niet van belang is derhalve of de volgens de verzoekende Staat toepasselijke strafbepaling als zodanig een equivalent heeft in het Nederlandse recht.

5.5. Voorzover het middel bedoelt te betogen dat voormeld feit naar Nederlands recht slechts strafbaar is op grond van het bepaalde bij en krachtens de Diergeneesmiddelenwet en dat de op overtreding van die wet in de Wet op de economische delicten gestelde straf niet voldoet aan de vereisten van art. 2 van het verdrag, stuit het af op het oordeel van de Rechtbank dat het feit naar Nederlands recht oplevert het misdrijf voorzien en strafbaar gesteld bij art.140 in samenhang met art. 225 Sr. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

5.6. Uit het vorenstaande volgt dat het middel tevergeefs is voorgesteld.

7. Slotsom

Nu middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen andere dan de hiervoor onder 6 genoemde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.

8. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak doch uitsluitend voorzover daarin is verzuimd de verzochte uitlevering ontoelaatbaar te verklaren ten aanzien van het in de vervangende akt van inbeschuldigingsstelling onder 1 sub c vermelde feit, het deelnemen aan een organisatie die het plegen van de daar vermelde strafbare feiten tot oogmerk heeft, voorzover dat oogmerk op iets anders was gericht dan het plegen van valsheid in geschrift;

Verklaart de uitlevering ontoelaatbaar ten aanzien van het in de vervangende akte van inbeschuldigingstelling onder 1 sub c vermelde feit, het deelnemen aan een organisatie die het plegen van de daar vermelde strafbare feiten tot oogmerk heeft, voorzover dat oogmerk op iets anders was gericht dan het plegen van valsheid in geschrift;

Verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de raadsheer Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren Orie en Van Dorst, in bijzijn van de griffier Bakker, en uitgesproken op 28 maart 2000.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOL 2000, 200 NJ 2000, 367
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?