ECLI:NL:HR:2001:AB0906

ECLI:NL:HR:2001:AB0906, Hoge Raad, 06-04-2001, R00/103HR

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 06-04-2001
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer R00/103HR
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2001:AB0906
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 2 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001838 BWBR0002055 BWBR0003738 BWBR0005289 BWBR0005537

Samenvatting

-

Uitspraak

6 april 2001

Eerste Kamer

Rek.nr. R00/103HR

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. P.C.M. van Schijndel,

t e g e n

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie), gevestigd te 's-Gravenhage,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. H.A. Groen.

1. Het geding in feitelijke instantie

Met een op 3 mei 1999 ter griffie van de Rechtbank te 's-Gravenhage ingediend verzoekschrift heeft verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht primair vast te stellen dat hij de Nederlandse nationaliteit bezit, subsidiair dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten, met vaststelling van het moment tot wanneer dit bezit heeft geduurd.

De Officier van Justitie heeft ter terechtzitting van 24 mei 2000 mondeling geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 21 juni 2000 het verzoek afgewezen.

De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staat heeft verzocht het beroep te verwerpen.

De conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

[Verzoeker] is op [geboortedatum] 1957 geboren in Indonesië.

De vader van [verzoeker] bezat oorspronkelijk de Nederlandse nationaliteit. Nadat hij als militair in het toenmalige Nederlands-Indië was gekomen, is hij na zijn demobilisatie op 25 juli 1950 in Indonesië gebleven en aldaar op 6 oktober 1950 in het huwelijk getreden met een vrouw die de Indonesische nationaliteit had. Op 24 december 1951 heeft hij op de voet van art. 3 van de Overeenkomst betreffende de toescheiding van staatsburgers tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek der Verenigde Staten van Indonesië (hierna: OTSI) geopteerd voor de Indonesische nationaliteit. [Verzoeker] heeft de Rechtbank verzocht, primair, om vast te stellen dat hij, [verzoeker], de Nederlandse nationaliteit bezit en, subsidiair, dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten, met vaststelling van het moment tot wanneer dit bezit heeft geduurd. Hij baseert dit verzoek op de stelling dat de optie ongeldig was omdat zijn vader niet voldeed aan de voorwaarden zoals die zijn gesteld in art. 3 van de OTSI, aangezien zijn vader op het moment van de soevereiniteitsoverdracht, op 27 december 1949, geen zes maanden in Indonesië woonde. Zijn vader heeft derhalve volgens [verzoeker] niet de Nederlandse nationaliteit verloren door optie per 24 december 1951 en [verzoeker] heeft derhalve op grond van art. 1 sub a van de Wet op het Nederlanderschap en ingezetenschap 1892 de Nederlandse nationaliteit verkregen.

De Rechtbank heeft het verzoek afgewezen. Zij was, voorzover in cassatie van belang, van oordeel dat de optie rechtsgeldig is uitgebracht, aangezien voldoende aannemelijk is geworden dat de vader van [verzoeker] gedurende ten minste zes maanden voorafgaand aan de optieverklaring woonachtig was in Indonesië en de in genoemd artikel bedoelde termijn van zes maanden gezien moet worden als de periode voorafgaand aan het afleggen van de optieverklaring.

3.2.1 Middel I klaagt dat de Rechtbank, aldus oordelend, een onjuiste uitleg heeft gegeven aan art. 3, aangezien deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat de daarin vervatte voorwaarde dat de betrokkene tenminste zes maanden woonachtig was in Indonesië, vervuld diende te zijn vóór het tijdstip van de soevereiniteitsoverdracht (27 december 1949). Het middel doet daartoe in het bijzonder een beroep op een overweging in de considerans van de OTSI, inhoudende "dat, op het tijdstip van de souvereiniteitsoverdracht, ten aanzien van de personen, die tot op dat ogenblik onderdanen van het Koninkrijk der Nederlanden waren, (...) dient te worden bepaald of zij de Nederlandse dan wel de Indonesische nationaliteit zullen bezitten".

3.2.2 Het middel faalt. Alhoewel in art. 3 niet met zoveel woorden is bepaald op welk tijdstip aan de bedoelde voorwaarde moest zijn voldaan, volgt uit de bewoordingen van art. 3 veeleer dat bepalend is het tijdstip waarop de verklaring wordt afgelegd, nu dat het tijdstip is waarop beoordeeld moest worden of aan de voorwaarde was voldaan en een bepaling dat een andere peildatum moest worden gehanteerd, ontbreekt, alhoewel, indien dat de bedoeling was, het opnemen van zo'n bepaling voor de hand zou hebben gelegen. Deze uitleg vindt voorts steun in de ontstaansgeschiedenis van de OTSI, weergegeven in punt 2.1.5.4 van de conclusie van de Plaatsvervangend Procureur-Generaal.

Anders dan het middel betoogt, is deze uitleg ook niet in strijd met de aangehaalde overweging in de considerans. Art. 3 bepaalt in de eerste plaats dat meerderjarige Nederlanders (waarbij het kennelijk gaat om het tijdstip van de soevereiniteitsoverdracht) de Nederlandse nationaliteit behouden. Het geeft vervolgens in bepaalde gevallen aan hen de mogelijkheid om hierin binnen twee jaar na de soevereiniteitsoverdracht wijziging te brengen en te opteren voor de Indonesische nationaliteit. Het is met de aangehaalde overweging uit de considerans zeer wel te rijmen dat daarbij mede betekenis kan worden gehecht aan de woonplaats in de periode na de soevereiniteitsoverdracht.

3.3 Het vorenoverwogene brengt mee dat middel II eveneens faalt.

4. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren W.H. Heemskerk, A.E.M. van der Putt-Lauwers, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer W.H. Heemskerk op 6 april 2001.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOL 2001, 229 NJ 2001, 463 JWB 2001/109
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?