2 november 2001
Eerste Kamer
Nr. C00/008HR
FD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
OCTROOIBUREAU ZUID, BUREAU VOOR MERKEN EN MODELLEN B.V., gevestigd te Eindhoven,
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. E.D. Vermeulen,
t e g e n
[Verweerder], wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - heeft bij exploit van 20 december 1994 eiseres tot cassatie - verder te noemen: OBZ - op verkorte termijn gedagvaard voor het Kantongerecht te Eindhoven en - na vermeerdering van eis - gevorderd:
1. a. primair het tussen partijen geldende concurrentiebeding met terugwerkende kracht geheel teniet te doen, subsidiair dat beding met terugwerkende kracht gedeeltelijk teniet te doen,
b. te verklaren voor recht dat OBZ ingevolge het bepaalde in art. 1637x lid 3 BW (oud) aan het concurrentiebeding geen recht kan ontlenen;
2. indien het beding geheel of gedeeltelijk in stand wordt gelaten, OBZ te veroordelen tot betaling van een vergoeding ter hoogte van ƒ 200.000,-- per jaar gedurende de gelding van het beding.
Bij conclusie van antwoord heeft OBZ de vorderingen bestreden en in reconventie - voorzover in cassatie van belang - veroordeling van [verweerder] gevorderd tot betaling aan OBZ van een bedrag - na vermindering in hoger beroep - ad ƒ 156.000,-- wegens overtreding van het tussen partijen gesloten concurrentiebeding, zijnde de verschuldigde boete vanaf 19 juli 1994 tot en met 12 januari 1995, te vermeerderen met ƒ 1.000,-- voor iedere werkdag die verstrijkt tussen 12 januari 1995 en de datum van het te dezen te wijzen vonnis, het geheel vermeerderd met de wettelijke rente over de verschuldigde bedragen vanaf 19 juli 1994 tot de dag der algehele voldoening.
[Verweerder] heeft de vordering in reconventie bestreden.
Nadat de Kantonrechter bij tussenvonnis van 13 juni 1996 in conventie had bepaald dat het tussen partijen overeengekomen concurrentiebeding gedeeltelijk teniet wordt gedaan, en wel voorzover het betreft de periode vanaf 1 mei 1995 en in reconventie voor recht had verklaard dat het in de arbeidsovereenkomst van partijen d.d. 11 februari 1993 opgenomen concurrentiebeding in stand is gebleven, zulks met inachtneming van de door de President van de Arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch in diens vonnis van 5 januari 1995 (rolnr. 787/94) aangenomen beperkingen op het concurrentiebeding en dat OBZ daaraan rechten kan ontlenen, zulks echter tot 1 mei 1995 en iedere verdere beslissing had aangehouden, heeft de Kantonrechter bij tussenvonnis van 10 april 1997 de zaak naar de rol verwezen voor bewijsvoering zijdens OBZ als in de rechtsoverwegingen van het tussenvonnis omschreven.
De Kantonrechter heeft bij eindvonnis van 22 januari 1998 de reconventionele vordering voorzover betreffende de periode 29 juli 1994 tot en met 12 januari 1995 afgewezen.
Tegen dit eindvonnis heeft OBZ hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te 's-Hertogenbosch.
Bij vonnis van 10 september 1999 heeft de Rechtbank het bestreden vonnis - met verbetering van de gronden - bekrachtigd.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft OBZ beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen de niet verschenen [verweerder] is verstek verleend.
De zaak is voor OBZ toegelicht door mr. W.D.H. Asser, advocaat te Amsterdam.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt OBZ in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H.J. Mijnssen als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 2 november 2001.