30 november 2001
Eerste Kamer
Rek.nr. R01/046HR
AP
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
1. [De vrouw],
2. [De man],
beiden wonende te [woonplaats],
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
DE GEMEENTE GRONINGEN, zetelende te Groningen,
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 16 juli 1997 ter griffie van het Kantongerecht te Groningen ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot de Kantonrechter aldaar en verzocht:
- het bedrag dat door de verzoekers tot cassatie - verder te noemen: de vrouw en de man - aan de Gemeente zal worden betaald vast te stellen op ƒ 16.578,39, met dien verstande dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd;
- vast te stellen dat door de Gemeente de totaalsom van het terug te vorderen bedrag, verminderd met wat daarop inmiddels is betaald, terstond kan worden ingevorderd;
- een en ander uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut.
De vrouw en de man hebben het verzoek bestreden.
De Kantonrechter heeft bij beschikking van 26 mei 2000 het verzoek toegewezen.
Tegen deze beschikking hebben de vrouw en de man hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Groningen.
Bij beschikking van 23 januari 2001 heeft de Rechtbank de beschikking van de Kantonrechter bekrachtigd.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de Rechtbank hebben de vrouw en de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren C.H.M. Jansen, als voorzitter, J.B. Fleers en A.G. Pos, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 30 november 2001.