5 oktober 2001
Eerste Kamer
Rek.nr. R01/023HR
NS
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[De man], wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga,
t e g e n
[De vrouw], wonende te [woonplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Met een op 20 mei 1999 ter griffie van de Rechtbank te Groningen ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de vrouw - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht tussen partijen echtscheiding uit te spreken en, onder meer, vast te stellen dat verzoeker tot cassatie - verder te noemen: de man - aan de vrouw een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud verschuldigd zal zijn van ƒ 1.500,-- per maand.
De man heeft het verzoek bestreden.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 4 april 2000 tussen partijen echtscheiding uitgesproken en - voor zover thans van belang - de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bepaald op ƒ 506,-- per maand.
Tegen deze beschikking heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden. Zij heeft verzocht voornoemde beschikking van de Rechtbank te vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw ƒ 506,-- bedraagt en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man ƒ 1.832,-- per maand dient bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw. De man heeft incidenteel hoger beroep ingesteld en verzocht de partneralimentatie vast te stellen op nihil, dan wel een door het Hof te bepalen bedrag.
Bij beschikking van 20 december 2000 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep vernietigd voor zover de man is veroordeeld om vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw, te voldoen een bedrag van ƒ 506,-- per maand en, in zoverre opnieuw beslissende, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bepaald op ƒ 1.200,-- per maand. Het meer of anders verzochte heeft het Hof afgewezen.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.
2.Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van het Hof heeft de man beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren R. Herrmann, als voorzitter, A.E.M. van der Putt-Lauwers en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 5 oktober 2001.