29 mei 2001
Strafkamer nr. 03410/00 B
ACH/IK
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de
Arrondissementsrechtbank te Arnhem van 19 juli 1996, parketnummer 05/046336-95, gegeven op een vordering van de Officier van Justitie in het arrondissement Arnhem tot onttrekking aan het verkeer, ingesteld door:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Bondsrepubliek Duitsland) op [geboortedatum] 1944, wonende te [woonplaats] (Bondsrepubliek Duitsland).
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft de vordering van de Officier van Justitie toegewezen. De Rechtbank heeft bevolen de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen vermeld in bovengenoemde beschikking.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden beschikking zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar het Gerechtshof te Arnhem teneinde - met inachtneming van 's Hogen Raads beslissing - alsnog op de vordering van de Officier van Justitie tot onttrekking aan het verkeer te beslissen.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden beschikking
3.1. Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij beschikking van
12 november 1997 het - door de betrokkene tegen de onder
1 vermelde beschikking - ingestelde hoger beroep verstaan als beroep in cassatie en bepaald dat de stukken van het geding ter behandeling van dat beroep zullen worden gezonden aan de griffier van de Hoge Raad. Nadat blijkens een op de inventaris van de stukken geplaatst stempel deze op 19 mei 2000 ter griffie van de Hoge Raad waren ingekomen, is de zaak op 22 december 2000 in behandeling genomen.
3.2. Bijzondere omstandigheden die voormeld tijdsverloop zouden kunnen rechtvaardigen, zijn niet gebleken. Daarom moet worden geoordeeld dat de behandeling van de zaak in cassatie niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.
3.3. Indien de onttrekking aan het verkeer niet heeft plaatsgevonden binnen bedoelde redelijke termijn, kan aan de rechthebbende, indien en voorzover hij daardoor nadeel heeft geleden, ter compensatie van dat nadeel op de voet van 36b, tweede lid, Sr in verbinding met art. 33c, tweede lid, Sr een billijke geldelijke tegemoetkoming worden toegekend.
3.4. De Hoge Raad oordeelt in het onderhavige geval geen grond aanwezig voor zo een tegemoetkoming. Derhalve moet worden volstaan met het hiervoor onder 3.2 vermelde oordeel.
3.5. De Hoge Raad oordeelt ook geen andere grond aanwezig waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, in aanmerking genomen tevens dat het zich bij de stukken bevindende arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 2 oktober 1995 geen betrekking heeft op het feit naar aanleiding waarvan de onderhavige goederen zijn inbeslaggenomen. Daarom moet het cassatieberoep worden verworpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 mei 2001.