ECLI:NL:HR:2001:ZD2520

ECLI:NL:HR:2001:ZD2520, Hoge Raad, 27-03-2001, 03578/00 U

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 27-03-2001
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 03578/00 U
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2001:ZD2520
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 7 zaken
Aangehaald door 5 zaken
3 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001941 BWBR0002559

Samenvatting

-

Uitspraak

27 maart 2001

Strafkamer

nr. 03578/00 U

KD/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 17 oktober 2000, parketnummer 13/097061/2000, op een verzoek van het Koninkrijk Zweden tot uitlevering van:

[opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] (Zweden) op [geboortedatum] 1947, ten tijde van de bestreden uitspraak gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Almere Binnen" te Almere.

1. De bestreden uitspraak

De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [opgeëiste persoon] aan het Koninkrijk Zweden deels toelaatbaar, deels ontoelaatbaar verklaard, één en ander zoals in de bestreden uitspraak staat omschreven.

2.Geding in cassatie

Het beroep, dat zich kennelijk niet richt tegen de bestreden uitspraak voorzover daarbij de uitlevering

ontoelaatbaar is verklaard, is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. J. Kuijper,

advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het vierde middel

3.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard terwijl de stukken ongenoegzaam zijn, omdat een lijst met vermelding van de stoffen die naar Zweeds recht als verdovende middelen worden aangemerkt ontbreekt.

3.2. De bestreden uitspraak houdt in dat namens de opgeëiste persoon ter zitting van de Rechtbank als verweer is gevoerd:

"De lijst(en) van in Zweden verboden verdovende middelen ontbreken, zodat niet kan worden vastgesteld of de in de stukken genoemde stoffen MDMA en (met)amfetamine in Zweden verboden zijn".

De Rechtbank heeft omtrent dat verweer overwogen en beslist:

"Dit verweer stuit af op de omstandigheid dat de stoffen MDMA en (met)amfetamine voorkomen op de lijst behorend bij het Verdrag inzake Psychotrope Stoffen (Wenen, 21 februari 1971), bij welk Verdrag zowel Nederland als Zweden aangesloten zijn. Op die grond moet de rechtbank ervan uitgaan dat deze stoffen ook in Zweden verboden zijn. Nader onderzoek is derhalve niet nodig".

3.3. In aanmerking genomen dat

(a) amfetamine en metamfetamine stoffen zijn die voor-

komen op Lijst 2 bij het Verdrag inzake psychotrope stoffen (Trb. 1989, 129), welk verdrag de staten die daarbij partij zijn - zoals de verzoekende staat - verplicht tot strafbaarstelling van gedragingen met betrekking tot die stoffen en tot samenwerking op het terrein van de rechtshulp en uitlevering, en

(b) de Rechtbank te Göteborg de bewaring van de opgeëiste persoon heeft bevolen op grondslag van vorderingen van het Openbaar Ministerie waarin gedragingen met betrekking tot (met)amfetamine worden beschreven,

getuigt het oordeel van de Rechtbank dat het verzuim van de verzoekende staat om de lijst over te leggen van stoffen die als verdovende middelen gelden in de zin van de overgelegde wettelijke bepalingen, niet behoeft te leiden tot ontoelaatbaarverklaring van de uitlevering, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

3.4. Voorzover het middel beoogt te klagen over de

onder 3.2 weergegeven overweging van de Rechtbank met betrekking tot MDMA heeft de opgeëiste persoon bij die klacht geen belang nu de uitlevering niet toelaatbaar is verklaard voor handelingen met betrekking tot die stof.

3.5. Het middel faalt mitsdien in al zijn onderdelen.

4. Beoordeling van het eerste, tweede, derde, vijfde en zesde middel

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 101a RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden en

de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak, voorzover aan zijn oordeel onderworpen, ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.M.M. Orie en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 27 maart 2001.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 2001, 455
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?