Nr. 1314
10 augustus 2001
JV
1. [eiser 1], gemeente Haarlemmermeer,
2. [eiser 2], gemeente Haarlemmermeer, en
3. [eiser 2], gemeente Haarlemmermeer,
eisers tot cassatie,
advocaat: mr. C.M.E.Verhaegh,
tegen
de gemeente Haarlemmermeer,
waarvan de zetel is gevestigd te Hoofddorp,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. A.R.Sturhoofd.
1. Geding in feitelijke instantie
1.1. Bij exploit van 25 juli 2000 heeft de gemeente Haarlemmermeer (hierna: de Gemeente) de Staat doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Haarlem (hierna: de Rechtbank) en ten behoeve van de aanleg van de [a-straat], met bijkomende werken, in de gemeente Haarlemmermeer, gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening ten name van de Gemeente van de in dat exploit omschreven onroerende zaak, waarvan de Staat is aangewezen als eigenaar. Daarbij heeft de Gemeente gevorderd het bedrag van de schadeloosstelling te bepalen.
1.2. Bij het thans in cassatie bestreden vonnis van 21 november 2000 heeft de Rechtbank de Provincie Noord-Holland en eisers tot cassatie (hierna: [eisers]) toegelaten als tussenkomende partijen. Voorts heeft de Rechtbank bij dat vonnis onder meer de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling van [eisers] vastgesteld op f 70.237,44 en drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd. Het vonnis is aan dit arrest gehecht.
2 Geding in cassatie
2.1. [Eisers] hebben het vonnis bestreden met een uit drie onderdelen bestaand middel van cassatie. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2.3. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten. De Gemeente heeft gedupliceerd.
2.4. De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op 2 mei 2001 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. De onteigening vindt plaats op grond van titel IIa van de Onteigeningswet. [eisers] hebben de te onteigenen zaak in erfpacht van de Provincie Noord-Holland, die daarvan thans eigenaar is. Zij hebben voor de Rechtbank primair aangevoerd dat er ten tijde van het Koninklijk Besluit waarbij hun zaak tot onteigening is aangewezen, nog geen onherroepelijk geworden planologische grondslag was voor het werk waarvoor de onteigening gevorderd wordt, en subsidiair dat de Kroon toen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten dat er voldoende zekerheid bestond met betrekking tot de planologische inpasbaarheid van dat werk.
3.2. De Rechtbank heeft het primaire verweer verworpen op grond van haar oordeel dat dit verweer geen steun vindt in het recht. Het eerste onderdeel van het middel bestrijdt dit oordeel met een motiveringsklacht, echter tevergeefs, nu het om een zuiver rechtsoordeel gaat. Dat oordeel is bovendien juist (vgl. HR 4 april 2001, nr. 1303, RvdW 2001, 77). Het onderdeel faalt derhalve.
3.3. De Rechtbank heeft het subsidiaire verweer verworpen op grond van de overweging dat de Raad van State als minimumnorm in zaken als deze stelt dat de belanghebbenden gedurende de periode van terinzagelegging van het onteigeningsplan (reeds) in de gelegenheid moeten zijn geweest om hun zienswijzen van planologische aard in een planologische procedure naar voren te brengen, dat de Kroon in het onderhavige geval die minimumnorm heeft aangelegd, en dat in dit geval aan die minimumnorm is voldaan, zodat de Kroon in redelijkheid tot het Koninklijk Besluit van 8 mei 2000 heeft kunnen komen.
3.4. Volgens het tweede onderdeel van het middel heeft de Kroon bedoelde minimumnorm in dit geval niet dan wel onjuist toegepast door (slechts) negatief te overwegen: "Weliswaar zijn er bedenkingen ingebracht in de procedure ex artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, doch dit betekent niet dat vast is komen te staan, dat het werk waarvoor onteigening noodzakelijk is niet planologisch zal worden ingepast", in plaats van (positief) een uitspraak te doen over de redelijkheid van de verwachting dat dat werk planologisch ingepast kan worden. Bovendien, aldus het onderdeel, is in het Koninklijk Besluit alleen sprake van de administratieve onteigeningsprocedure en had de Rechtbank moeten oordelen dat de gerechtelijke procedure pas mag worden ingesteld nadat en voorzover vaststaat dat het werk waarvoor onteigend wordt, planologisch inpasbaar is.
3.5. Ook dit onderdeel faalt. De aangehaalde zin uit het Koninklijk Besluit is slechts een reactie op het standpunt van [eisers] dat uit de enkele omstandigheid dat in de planologische procedure bedenkingen waren ingebracht, moest worden afgeleid dat geen planologische grondslag voor het te maken werk aanwezig was. Het op uitleg van het gehele Koninklijk Besluit berustende oordeel van de Rechtbank dat de Kroon bovenbedoelde minimumnorm inderdaad heeft toegepast, is niet onbegrijpelijk. Dat in aanmerking genomen geeft het - ook voor het overige toereikend gemotiveerde - oordeel dat de Kroon in redelijkheid tot het Koninklijk Besluit van 8 mei 2000 heeft kunnen komen, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het hiervóór aan het slot van 3.4 weergegeven standpunt van [eisers] geen steun vindt in het recht.
3.6. Volgens het derde onderdeel heeft de Rechtbank bij de verwerping van het subsidiaire verweer van [eisers] op onbegrijpelijke of onvoldoende gemotiveerde wijze betekenis toegekend aan de omstandigheid dat de onteigening geschiedt ten behoeve van een werk waarvoor separaat een bestemmingsplan zal worden opgesteld. Zoals is uiteengezet in punt 5.2 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, berust dit onderdeel op onjuiste lezing van het bestreden vonnis. Het faalt derhalve bij gebrek aan feitelijke grondslag.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van de Gemeente tot op deze uitspraak begroot op f 632,20 aan verschotten en f 3000 voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst en P.J. van Amersfoort, in tegenwoordigheid van de waar-nemend griffier A.R. Makdoembaks, en door de raadsheer W.H. Heemskerk in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2001.