8 januari 2002
Strafkamer
nr. 03930/00
AS/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 18 september 2000, nummer 22/001627-99, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 7 januari 1999 - de verdachte ter zake van feit 1. "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" en feit 2. "in strijd met de waarheid enig gegeven verzwijgen met het oogmerk om aldus voor zichzelf bijstand of hogere bijstand te verkrijgen danwel te behouden" veroordeeld tot het verrichten van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte voor de duur van
80 uren, in plaats van 6 weken gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G.Th.J. Bos, advocaat te Leiden, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend Hof opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
2.2. De Hoge Raad heeft kennis genomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
3.1. Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotities heeft de raadsman van verdachte aldaar onder meer aangevoerd:
"[verdachte] heeft op het inlichtingenformulier van de Sociale Dienst de alternatieven kostgangers, onderhuurders, dan wel overige huurders niet aangekruist, zulks op advies van de bedrijfsmaatschappelijk medewerker;
(...)
[verdachte] is van mening dat zij op geen enkele wijze de opzet heeft gehad zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen ten koste van de gemeenschap;
zij is van mening dat er hoogstens gesproken zou kunnen worden over verschoonbare dwaling welke veroorzaakt werd door verschillende, elkaar tegensprekende, ambtenaren van de gemeente Leiden."
3.2. Aldus is een verweer gevoerd waarop het Hof op straffe van nietigheid uitdrukkelijk een met redenen omklede beslissing had moeten geven.
3.3. Aangezien zodanige beslissing in 's Hofs arrest niet voorkomt, is de bestreden uitspraak niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
4. Slotsom
Hetgeen hiervoor onder 3 is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven, de middelen geen bespreking behoeven en als volgt moet worden beslist.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te Amsterdam opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, G.J.M. Corstens, A.J.A. van Dorst en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 8 januari 2002.