26 februari 2002
Strafkamer
nr. 02045/01 U
IV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 18 september 2001, nummer 13/97043-2001, op een verzoek van Amerika tot uitlevering van:
[de opgeëiste persoon], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering van [de opgeëiste persoon] aan (de Hoge Raad leest:) de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar verklaard ter strafvervolging van de opgeëiste persoon ter zake van de in de bestreden uitspraak omschreven feiten.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de opgeëiste persoon. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel klaagt dat de Rechtbank het verweer dat de stukken ongenoegzaam zijn nu de verzoekende Staat heeft verzuimd de bepalingen aangaande zijn rechtsmacht over te leggen, ten onrechte althans op ontoereikende gronden heeft verworpen.
3.2. De bestreden uitspraak houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"De uitlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht ter strafvervolging terzake van de verdenking dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het feit waarvoor zijn aanhouding is gelast en zoals omschreven in de bij het uitleveringsverzoek gevoegde criminal complaint tegen de opgeëiste persoon en zijn medeverdachte van 30 maart 2001. Een afschrift van dit document is als bijlage aan deze uitspraak gehecht. Het feit luidt:
"On or about May, 1998 through May, 2000 in Palm Beach county, in the Southern District of Florida, the defendants, did conspire to import MDMA (ecstasy) into the United States from a place outside thereof."
In de bij het verzoek gevoegde verklaring heeft assistant United States Attorney N.V. Quinlan het feit toegelicht. Zij heeft het volgende verklaard:
"An investigation by the Drug Enforcement Administration (DEA) revealed that the subject of this extradiction request, [de opgeëiste persoon], was the source of supply for over 70,000 ecstasy pills that were imported into the United States from at least as early as May 1998, to May of 2000. Two witnesses in the United States have advised DEA agents that they traveled to Europe approximately seven times, bought ecstasy pills from [de opgeëiste persoon] and his co-conspirator [medeverdachte], and shipped these pills to the United States."
De rechtbank kwalificeert het voornoemde feit naar Nederlands recht als:
het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, eerste lid, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, strafbaar gesteld bij artikel 10, lid 4, van de Opiumwet, meermalen gepleegd.
(...)
De raadsman heeft ter zitting aangevoerd dat de stukken ongenoegzaam zijn en dat in verband daarmee (...) de uitlevering ontoelaatbaar moet worden verklaard. Hij heeft daartoe, zakelijk weergegeven, het volgende aangevoerd:
(...)
(e.) (...) dat omdat het feit buiten het grondgebied van de verzoekende staat is gepleegd, op grond van artikel 9, lid 2, onder e, van het verdrag bepalingen aangaande de rechtsmacht van de verzoekende staat bij het uitleveringsverzoek moeten worden
gevoegd.
(...)
De rechtbank overweegt het volgende:
(...)
(e.) De bepalingen aangaande [de] rechtsmacht behoeven in deze procedure niet te worden overgelegd omdat volgens de beschrijving van het feit waarvoor de uitlevering is verzocht, zoals hierboven weergegeven, de pleegplaats binnen het grondgebied van de Verenigde Staten ligt en daarmee de rechtsmacht is gegeven."
3.3. Ingevolge art. 9, tweede lid, aanhef en onder e, van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 1980, 111) dienen bij het uitleveringsverzoek de wetsbepalingen houdende toekenning van rechtsmacht te worden gevoegd "ingeval het strafbare feit buiten het grondgebied van de verzoekende Staat werd gepleegd."
3.4. De Rechtbank heeft vastgesteld dat het feit waarvoor de uitlevering is verzocht mede is begaan op het grondgebied van de verzoekende Staat, hetgeen in het licht van de bij het verzoek overgelegde stukken niet onbegrijpelijk is. Derhalve is niet de in de evenvermelde verdragsbepaling gestelde voorwaarde vervuld dat het strafbare feit buiten het grondgebied van die Staat werd gepleegd.
3.5. Het oordeel van de Rechtbank dat het niet overleggen door de verzoekende Staat van zijn wetsbepalingen met betrekking tot de rechtsmacht niet in de weg staat aan de genoegzaamheid van de stukken, is dus juist. Daaraan doet niet af dat de opgeëiste persoon ten tijde van het begaan van het feit niet in de Verenigde Staten van Amerika zou zijn geweest.
3.6. Het middel faalt.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel bevat de klacht dat de Rechtbank heeft verzuimd vast te stellen aan welke staat de opgeëiste persoon zal mogen worden uitgeleverd.
4.2. Zoals uit het hiervoor onder 1 overwogene reeds blijkt leest de Hoge Raad de bestreden uitspraak in dier voege dat de Rechtbank de gevraagde uitlevering aan de Verenigde Staten van Amerika toelaatbaar heeft verklaard. Het middel faalt dus bij gebrek aan feitelijke grondslag.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet als volgt worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend-griffier H.H.A. de Nijs, en uitgesproken op 26 februari 2002.