Nr. 1327
1 februari 2002
JV
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser tot cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Railinfrabeheer B.V. (voorheen NS Railinfrabeheer B.V.),
gevestigd te Utrecht,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. J.G. de Vries Robbé.
1. Geding in feitelijke instantie
1.1. NS Railinfrabeheer B.V., hierna: NSR, heeft bij exploot van 16 augustus 2000 eiser tot cassatie, hierna: [eiser], doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam en ten behoeve van de aanleg van een in de dagvaarding nader omschreven gedeelte van de Betuweroute en de Kortsluitroute, met bijkomende werken, gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening ten algemene nutte en ten name van NSR van een drietal in de dagvaarding nader omschreven gedeelten van onroerende zaken met de kadastrale aanduidingen gemeente Charlois [1] en
[2], waarvan [eiser] bij Koninklijk Besluit van 3 juni 1999, nr. 99.002484 (Stcrt. 140) is aangewezen als eigenaar, en de bepaling van het bedrag van de schadeloosstelling. De dagvaarding is bij exploot van
16 augustus 2000 betekend aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [de B.V.], hierna [...], welke vennootschap bij het genoemde koninklijk besluit is aangewezen als rechthebbende op een op 30 juni 2004 eindigend recht van erfpacht op het perceelsgedeelte [1].
1.2. Bij het thans bestreden vonnis van 15 februari 2001 heeft de Rechtbank de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken, het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] vastgesteld op f 382.275 voor het te onteigenen perceelsgedeelte [1] en op f 70.065 voor de te onteigenen perceelsgedeelten [2] (zijnde telkens 90 percent van het aan [eiser] gedane aanbod), en drie deskundigen - ter begroting van de aan [eiser] en aan [de B.V.] als erfpachtster toekomende schadeloosstellingen - en een rechter-commissaris benoemd. Dit vonnis is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
2.1. [Eiser] heeft het vonnis bestreden met een uit twee onderdelen bestaand middel van cassatie. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. NSR heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, behalve voorzover het tweede middelonderdeel erover klaagt dat [eiser] geen afstand heeft gedaan van zijn recht op zekerheid, ten aanzien van welke klacht NSR zich aan het oordeel van de Hoge Raad heeft gerefereerd.
2.3. Partijen hebben hun standpunten doen toelichten door hun advocaten. [Eiser] heeft gerepliceerd.
2.4. De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op
14 september 2001 geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank van 15 februari 2001, voorzover daarbij het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] is bepaald op f 382.275 voor het te onteigenen perceelsgedeelte [1] en op f 70.065 voor het te onteigenen perceelsgedeelte [2] en tot bepaling van die bedragen op onderscheidenlijk f 424.750 en f 77.850.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In de subonderdelen A en B van het eerste onderdeel van het middel betoogt [eiser] dat de Rechtbank de inleidende dagvaarding nietig had moeten verklaren, althans NSR in haar vordering niet-ontvankelijk had moeten verklaren, althans de eis had moeten ontzeggen, omdat alleen [eiser] als aangewezen eigenaar van het te onteigenen perceelsgedeelte is gedagvaard. Volgens de subonderdelen had ook [de B.V.] moeten worden gedagvaard, omdat deze vennootschap immers was aangewezen als eigenaar in de zin van artikel 18, lid 1, van de Onteigeningswet, althans omdat het bepaalde bij artikel 18 in samenhang met het bepaalde in artikel 14, lid 1, onder 3e, van de Onteigeningswet met zich brengt dat niet alleen de kadastrale eigenaar zelf, maar ook de kadastrale rechthebbende op een recht als bedoeld in artikel 4, lid 1, van de Onteigeningswet gedagvaard moet worden, indien deze tevens bij het koninklijk besluit is aangewezen.
3.2. Deze subonderdelen falen. Te dezen doet zich niet het geval voor van afzonderlijke onteigening van een recht van erfpacht, als bedoeld in artikel 4, lid 1, van de Onteigeningswet, in welk geval op de voet van artikel 18, lid 1, tweede volzin, van die wet de vordering tot onteigening moet worden ingesteld tegen de bij koninklijk besluit aangewezen rechthebbende. Evenmin doet zich het in artikel 18, lid 3, van de Onteigeningswet bedoelde geval voor van een onteigening van een onroerende zaak waarop blijkens de openbare registers, bedoeld in afdeling 2 van titel 1 van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, een eeuwigdurende erfpacht is gevestigd, in welk geval de erfpachter naast de eigenaar zou moeten worden gedagvaard. Het recht van erfpacht van [de B.V.] eindigt immers op 30 juni 2004 volgens de in het hiervóór in 1.1 vermelde Koninklijk Besluit opgenomen weergave van de kadastrale registratie. Een en ander brengt mee dat NSR niet verplicht was [de B.V.] te dagvaarden, en dat zij ermee kon volstaan de aan [eiser] uitgebrachte dagvaarding op de voet van artikel 18, lid 5, van de Onteigeningswet aan [de B.V.] als derde belanghebbende te betekenen. Het voorgaande wordt niet anders doordat in het koninklijk besluit [de B.V.] naast de eigenaar als rechthebbende is vermeld.
3.3. De subonderdelen C en D van het eerste middelonderdeel houden in dat de Rechtbank de inleidende dagvaarding nietig had moeten verklaren, omdat die dagvaarding niet, evenmin als het exploot waarbij die dagvaarding aan [de B.V.] werd betekend, een vermelding inhoudt van de som die als schadeloosstelling wordt aangeboden aan de erfpachter [de B.V.], hetgeen te meer klemt nu dat ertoe heeft geleid dat geen voorschot samenhangend met vervroegde onteigening voor [de B.V.] als erfpachter is vastgesteld. Dat is volgens [eiser] in strijd met het systeem van de Onteigeningswet en met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM.
3.4. Bij de beoordeling van deze subonderdelen moet worden vooropgesteld dat de Rechtbank blijkens het hiervoor overwogene terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat [de B.V.] als derde belanghebbende moet worden beschouwd. Bij dit uitgangspunt wordt in de subonderdelen met juistheid gesteld dat uit het in de dagvaarding vermelde aanbod in strijd met het bepaalde in artikel 22, lid 2, van de Onteigeningswet niet blijkt, welk aandeel daarvan voor [eiser] onderscheidenlijk voor [de B.V.] als schadeloosstelling was bestemd. Anders dan in de subonderdelen wordt betoogd, leidt zulks ingevolge artikel 22 van de Onteigeningswet evenwel niet tot nietigheid van de inleidende dagvaarding, maar ingevolge het tweede lid van dat artikel tot een veroordeling van de onteigenende partij in de kosten overeenkomstig artikel 50, lid 2, van die wet. Bij de toevoeging van het tweede lid van artikel 22 is immers blijkens de Memorie van Toelichting, aangehaald in onderdeel 2.3.4 van de conclusie van de Advocaat-Generaal, vermeld dat is bedoeld voor te schrijven dat de onteigenende partij op straffe van veroordeling in de kosten van de onteigeningsprocedure aan ieder der belanghebbenden die haar bekend kan zijn een aanbod moet doen. Daarmee is niet te verenigen dat de dagvaarding waarin de som welke als schadeloosstelling wordt aangeboden, wel is vermeld, maar waarin is verzuimd aan een bekende belanghebbende een afzonderlijk aanbod te doen, reeds op grond van artikel 22, lid 1, zou moeten worden nietig verklaard. Ook het bepaalde in artikel 50, lid 2, berust klaarblijkelijk op het uitgangspunt dat een dagvaarding waarin niet is vermeld welke som aan de verweerder onderscheidenlijk aan een aan de onteigenende partij bekende belanghebbende als schadeloosstelling wordt aangeboden, niet aan nietigheid lijdt, omdat dan reeds wegens de nietigheid van de dagvaarding de kosten van het proces ten laste van de onteigenende partij zouden komen. Daartoe zou een uitdrukkelijke wetsbepaling derhalve niet nodig zijn.
3.5. De omstandigheid dat in het vonnis door het ontbreken van een afzonderlijk aanbod ook geen voorschot op de aan [de B.V.] toekomende schadeloosstelling kon worden vastgesteld, leidt niet tot strijd met het systeem van de Onteigeningswet, noch tot strijd met het Eerste Protocol bij het EVRM. De Rechtbank heeft in dit verband met juistheid overwogen en beslist dat omtrent de aan [de B.V.] eventueel toekomende schadeloosstelling een bericht van deskundigen moet worden ingewonnen. [de B.V.] zal in het onteigeningsgeding kunnen tussenkomen teneinde haar standpunt met betrekking tot de aan haar toe te kennen schadeloosstelling kenbaar te maken en de Rechtbank zal, gelet op het bepaalde in artikel 50, lid 2, van de Onteigeningswet, de proceskosten ten laste van NSR dienen te brengen.
3.6. Het tweede onderdeel van het middel richt zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van de Rechtbank dat [eiser] afstand heeft gedaan van zijn recht zekerheid te vragen voor het verschil tussen de aanbiedingen en de voorschotten. Deze klacht wordt terecht voorgesteld, omdat de Rechtbank klaarblijkelijk over het hoofd heeft gezien dat [eiser] de bedoelde afstand heeft gedaan onder de - blijkens de gedingstukken niet vervulde - voorwaarde dat de gehele door NSR aangeboden bedragen hem bij wijze van voorschot zouden worden betaald.
3.7. Het tweede onderdeel van het middel slaagt derhalve. De Hoge Raad kan de gemaakte vergissing herstellen door, met vernietiging van het vonnis in zoverre, de voorschotten op de aan [eiser] toe te kennen schadeloosstellingen vast te stellen op 100 percent van de door NSR aangeboden bedragen, nu NSR zich tot betaling daarvan bij conclusie van antwoord in cassatie bereid heeft verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad
- vernietigt het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 15 februari 2001, doch uitsluitend voorzover daarbij het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] is bepaald op f 382.275 voor het te onteigenen perceelsgedeelte [1] en op f 70.065 voor het te onteigenen perceelsgedeelte [2],
- bepaalt die bedragen op onderscheidenlijk f 424.750 (€ 192.743,15) en f 77.850 (€ 35.326,79),
- verwerpt het beroep voor het overige,
- veroordeelt NSR in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak begroot op € 329,33 aan verschotten en op € 1590 voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst, L. Monné, J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 februari 2002.