Nr. 1329
1 februari 2002
JV
in de zaak van
1. [eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [eiser 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],
eisers tot cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Railinfrabeheer B.V. (voorheen NS Railinfrabeheer B.V.),
gevestigd te Utrecht,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. J.G. de Vries Robbé.
1. Geding in feitelijke instantie
1.1. NS Railinfrabeheer B.V., hierna: NSR, heeft bij exploten van 16 augustus 2000 eisers tot cassatie, hierna: [eiser 1] en [eiser 2], doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam en ten behoeve van de aanleg van een in de dagvaarding nader omschreven gedeelte van de Betuweroute en de Kortsluitroute, met bijkomende werken, gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening ten algemene nutte en ten name van NSR van in de dagvaarding nader omschreven deelpercelen met de kadastrale aanduiding [...], deel uitmakend van de onroerende zaak, thans kadastraal bekend gemeente Charlois [...], waarvan [eiser 1] en [eiser 2] bij Koninklijk Besluit van 3 juni 1999, nr. 99.002484 (Stcrt. 140) zijn aangewezen als eigenaar, en de bepaling van het bedrag van de schadeloosstelling. In de dagvaarding is alleen aan [eiser 1] het aanbod gedaan de te onteigenen deelpercelen over te nemen voor f 252.350.
1.2. Bij het thans bestreden vonnis van 15 februari 2001 heeft de Rechtbank de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken, de schadeloosstelling voor [eiser 2] vastgesteld op nihil, en het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser 1] bepaald op f 227.115 (zijnde 90 percent van het aan [eiser 1] gedane aanbod), en drie deskundigen - ter begroting van de aan [eiser 1] toekomende schadeloosstelling - en een rechter-commissaris benoemd. Bij het vonnis heeft de Rechtbank NSR tevens veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van [eiser 2], tot aan het vonnis begroot op nihil. Dit vonnis is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
2.1. [eiser 1] en [eiser 2] hebben het vonnis bestreden met een uit drie onderdelen bestaand middel van cassatie. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. NSR heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, behalve voorzover het tweede middelonderdeel erover klaagt dat [eiser 1] geen afstand heeft gedaan van zijn recht op zekerheid, ten aanzien van welke klacht NSR zich aan het oordeel van de Hoge Raad heeft gerefereerd.
2.3. Partijen hebben hun standpunten doen toelichten door hun advocaten, waarbij NSR zich met betrekking tot het derde onderdeel van het middel alsnog aan het oordeel van de Hoge Raad heeft gerefereerd. [eiser 1] en [eiser 2] hebben gerepliceerd.
2.4. De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op
14 september 2001 geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank van 15 februari 2001, voorzover daarbij het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser 1] is bepaald op f 227.115, en voorzover daarbij de proceskosten aan de zijde van [eiser 2] zijn bepaald op nihil, tot bepaling van het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser 1] op f 252.350, en tot veroordeling van NSR in de kosten van het geding voor de Rechtbank aan de zijde van [eiser 2], tot aan de uitspraak van 15 februari 2001 bepaald op f 400 voor verschotten en f 1460 aan salaris van de procureur.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In het eerste middelonderdeel betogen [eiser 1] en [eiser 2] dat de Rechtbank de inleidende dagvaarding op de voet van het bepaalde in artikel 22 van de Onteigeningswet nietig had moeten verklaren, omdat die dagvaarding geen vermelding inhoudt van de som die als schadeloosstelling wordt aangeboden aan de medegedaagde in eerste aanleg, [eiser 2], de als zodanig in het koninklijk besluit aangeduide mede-eigenaar van de te onteigenen deelpercelen. Voorts had de Rechtbank bij het ontbreken van een aanvaard aanbod, in plaats van zich te begeven in de vraag of aan [eiser 2] een schadeloosstelling toekwam en deze vervolgens op nihil vast te stellen, op de voet van het bepaalde in artikel 27, lid 1, (kennelijk is bedoeld artikel 54j, lid 1) van de Onteigeningswet deskundigen moeten benoemen teneinde de onder meer aan hen toekomende schadeloosstellingen te begroten.
3.2. Het onderdeel faalt. Nadat NSR in de inleidende dagvaarding had gesteld dat het te onteigenen behoort tot het perceel, thans kadastraal bekend gemeente Charlois, sectie [...], uitsluitend in eigendom toebehorend aan [eiser 1], en kennelijk om die reden alleen aan [eiser 1] een aanbod op de voet van artikel 22, lid 1, van de Onteigeningswet had gedaan, hebben [eiser 1] en [eiser 2] gezamenlijk bij conclusie van antwoord die stelling niet weersproken. Onder die omstandigheden mocht de Rechtbank, anders dan in het middelonderdeel nog gesteld, zonder nadere motivering oordelen dat ten tijde van de dagvaarding het te onteigenen uitsluitend toebehoorde aan [eiser 1]. Zulks brengt mee dat het in de dagvaarding vervatte aanbod niet mede aan [eiser 2] behoefde te worden gedaan. Indien immers, zoals hier het geval is, de bij het koninklijk besluit aangewezen mede-eigenaar de hoedanigheid van mede-eigenaar van de te onteigenen percelen vóór de aanvang van het onteigeningsgeding heeft verloren, verzet geen rechtsregel zich ertegen dat het aanbod niet mede aan de medegedaagde wordt gedaan, van wie immers kan worden aangenomen dat hij door de onteigening geen schade meer zal lijden, maar uitsluitend aan degene die inmiddels uitsluitend eigenaar is geworden van de te onteigenen percelen en derhalve bevoegd om daarover na eventuele aanvaarding van het aanbod te beschikken. De Rechtbank was dan ook niet verplicht de inleidende dagvaarding nietig te verklaren.
3.3. Onder deze omstandigheden was de Rechtbank voorts niet verplicht een deskundigenbericht omtrent een aan [eiser 2] toe te kennen schadeloosstelling in te winnen en kon de Rechtbank bij het bestreden vonnis de aan de voormalige mede-eigenaar [eiser 2] toekomende schadeloosstelling op nihil bepalen, omdat, zoals hiervóór is overwogen, de Rechtbank ervan mocht uitgaan dat [eiser 2] door de onteigening geen schade meer zou lijden. Daarbij verdient opmerking dat [eiser 2] blijkens de stukken van het geding met geen woord heeft gerept over schade, die zij als derde belanghebbende mogelijk zou kunnen lijden.
3.4. Het tweede onderdeel van het middel richt zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van de Rechtbank dat [eiser 1] afstand heeft gedaan van zijn recht zekerheid te vragen voor het verschil tussen de aanbiedingen en de voorschotten. Deze klacht wordt terecht voorgesteld, omdat de Rechtbank klaarblijkelijk over het hoofd heeft gezien dat [eiser 1] de bedoelde afstand heeft gedaan onder de - blijkens de gedingstukken niet vervulde - voorwaarde dat het gehele door NSR aangeboden bedrag hem bij wijze van voorschot zou worden betaald.
3.5. Het tweede onderdeel van het middel slaagt derhalve. De Hoge Raad kan de gemaakte vergissing herstellen door, met vernietiging van het vonnis in zoverre, het voorschot op de aan [eiser 1] toe te kennen schadeloosstelling vast te stellen op 100 percent van het door NSR aangeboden bedrag, nu NSR zich tot betaling daarvan bij conclusie van antwoord in cassatie bereid heeft verklaard.
3.6. Ook het derde onderdeel van het middel wordt terecht voorgesteld. Naar de Rechtbank in onderdeel 2.7 van het vonnis met juistheid heeft overwogen, dient de onteigenende partij in de kosten van het geding te worden verwezen in een geval als het onderhavige, waarin het wettelijk systeem ertoe noopt de bij het koninklijk besluit aangewezen (mede-)eigenaar te dagvaarden, hoewel deze ten tijde van de dagvaarding tot onteigening die hoedanigheid inmiddels niet meer bezit. Aangezien [eiser 2] bij procureur was verschenen, bestond er geen aanleiding voor de veronderstelling dat [eiser 2] in het geheel geen kosten had gemaakt. Nu NSR zich omtrent dit onderdeel - en het daarin vermelde bedrag van de proceskosten - aan het oordeel van de Hoge Raad heeft gerefereerd, vindt de Hoge Raad aanleiding omtrent de proceskosten van [eiser 2] voor de Rechtbank te beslissen als hierna vermeld.
4. Beslissing
De Hoge Raad
- vernietigt het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 15 februari 2001, doch uitsluitend voorzover daarbij het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser 1] is bepaald op f 227.115 en voorzover daarbij de proceskosten aan de zijde van [eiser 2] zijn bepaald op nihil,
- bepaalt het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser 1] op f 252.350 (€ 114.511,44),
- veroordeelt NSR in de kosten van het geding voor de Rechtbank, aan de zijde van [eiser 2] tot aan het vonnis van 15 februari 2001 begroot op € 181,51 aan verschotten en € 745 voor salaris,
- verwerpt het beroep voor het overige,
- veroordeelt NSR in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] tot aan deze uitspraak begroot op € 330,65 aan verschotten en op
€ 1590 voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst, L. Monné, J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 februari 2002.