Nr. 1330
1 februari 2002
JV
in de zaak van
[eiser 1],
wonende te [woonplaats],
eiser tot cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Railinfrabeheer B.V. (voorheen NS Railinfrabeheer B.V.),
gevestigd te Utrecht,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. J.G. de Vries Robbé.
1. Geding in feitelijke instantie
1.1. NS Railinfrabeheer B.V., hierna: NSR, heeft bij exploot van 16 augustus 2000 [betrokkene 1], doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam en ten behoeve van de aanleg van een in de dagvaarding nader omschreven gedeelte van de Betuweroute en de Kortsluitroute, met bijkomende werken, gevorderd de vervroegd uit te spreken onteigening ten algemene nutte en ten name van NSR van een in de dagvaarding nader omschreven gedeelte van de onroerende zaak met de kadastrale aanduiding gemeente Charlois [...], waarvan [betrokkene 1] bij Koninklijk Besluit van 3 juni 1999, nr. 99.002484 (Stcrt. 140) is aangewezen als eigenaar, en de bepaling van het bedrag van de schadeloosstelling. Omdat het te onteigenen perceelsgedeelte op 11 januari 1999 aan eiser tot cassatie, hierna [eiser], is overgedragen, is in de, bij exploot van 16 augustus 2000 aan [eiser] betekende, dagvaarding aan [eiser] het aanbod gedaan het te onteigenen perceelsgedeelte over te nemen voor f 173.125.
1.2. Nadat bij vonnis van 12 oktober 2000 [eiser] als tussenkomende partij was toegelaten, heeft de Rechtbank bij het thans bestreden vonnis van 15 februari 2001 de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken, de schadeloosstelling voor [betrokkene 1] vastgesteld op nihil, en het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] bepaald op f 155.812,50 (zijnde 90 percent van het aan [eiser] gedane aanbod), en drie deskundigen - ter begroting van de aan [eiser] toekomende schadeloosstelling - en een rechter-commissaris benoemd. Dit vonnis is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
2.1. [eiser] heeft het vonnis bestreden met een uit twee onderdelen bestaand middel van cassatie. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. NSR heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, behalve voorzover het tweede middelonderdeel erover klaagt dat [eiser] geen afstand heeft gedaan van zijn recht op zekerheid, ten aanzien van welke klacht NSR zich aan het oordeel van de Hoge Raad heeft gerefereerd.
2.3. Partijen hebben hun standpunten doen toelichten door hun advocaten. [eiser] heeft gerepliceerd.
2.4. De Advocaat-Generaal J.W. Ilsink heeft op
14 september 2001 geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis van de Rechtbank van 15 februari 2001, voorzover daarbij het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] is bepaald op f 155.812,50 en tot bepaling van dat bedrag op f 173.125.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In het eerste middelonderdeel betoogt [eiser] dat de Rechtbank de inleidende dagvaarding op de voet van het bepaalde in artikel 22 van de Onteigeningswet nietig had moeten verklaren, omdat die dagvaarding geen vermelding inhoudt van de som die als schadeloosstelling wordt aangeboden aan de gedaagde in eerste aanleg, [betrokkene 1], de als zodanig in het koninklijk besluit aangeduide eigenaar van het te onteigenen perceelsgedeelte. Voorts had de Rechtbank bij het ontbreken van een aanvaard aanbod, in plaats van zich te begeven in de vraag of aan [betrokkene 1] een schadeloosstelling toekwam en deze vervolgens op nihil vast te stellen, op de voet van het bepaalde in artikel 27, lid 1, (kennelijk is bedoeld artikel 54j, lid 1) van de Onteigeningswet deskundigen moeten benoemen teneinde de onder meer aan hem toekomende schadeloosstellingen te begroten.
3.2. Het onderdeel faalt. Indien, zoals hier het geval is, de bij het koninklijk besluit aangewezen eigenaar het te onteigenen perceelsgedeelte vóór de aanvang van het onteigeningsgeding heeft overgedragen, verzet geen rechtsregel zich ertegen dat het aanbod niet mede aan de gedaagde wordt gedaan, van wie immers kan worden aangenomen dat hij na de overdracht door de onteigening geen schade zal lijden, maar uitsluitend aan degene die inmiddels eigenaar is geworden van het te onteigenen perceelsgedeelte en derhalve bevoegd om daarover na eventuele aanvaarding van het aanbod te beschikken. De Rechtbank was derhalve niet verplicht de inleidende dagvaarding nietig te verklaren.
3.3. Ook was de Rechtbank niet verplicht een deskundigenbericht omtrent een aan [betrokkene 1] toe te kennen schadeloosstelling in te winnen en kon de Rechtbank bij het bestreden vonnis de aan de voormalige eigenaar toekomende schadeloosstelling op nihil bepalen, zulks te meer omdat [betrokkene 1] blijkens het in het vonnis onder 2.6 overwogene zich aan het oordeel van de Rechtbank heeft gerefereerd, de verkoop aan [eiser] heeft erkend, de overdracht aan [eiser] onweersproken heeft gelaten en geen aanspraak maakt op schadeloosstelling.
3.4. Het tweede onderdeel van het middel richt zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van de Rechtbank dat [eiser] afstand heeft gedaan van zijn recht zekerheid te vragen voor het verschil tussen de aanbiedingen en de voorschotten. Deze klacht wordt terecht voorgesteld, omdat de Rechtbank klaarblijkelijk over het hoofd heeft gezien dat [eiser] de bedoelde afstand heeft gedaan onder de - blijkens de gedingstukken niet vervulde - voorwaarde dat het gehele door NSR aangeboden bedrag hem bij wijze van voorschot zou worden betaald.
3.5. Het tweede onderdeel van het middel slaagt derhalve. De Hoge Raad kan de gemaakte vergissing herstellen door, met vernietiging van het vonnis in zoverre, het voorschot op de aan [eiser] toe te kennen schadeloosstelling vast te stellen op 100 percent van het door NSR aangeboden bedrag, nu NSR zich tot betaling daarvan bij conclusie van antwoord in cassatie bereid heeft verklaard.
4. Beslissing
De Hoge Raad
- vernietigt het vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam van 15 februari 2001, doch uitsluitend voorzover daarbij het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiser] is bepaald op f 155.812,50,
- bepaalt dat bedrag op f 173.125 (€ 78.560,70),
- verwerpt het beroep voor het overige,
- veroordeelt NSR in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van [eiser] tot aan deze uitspraak begroot op € 328,02 aan verschotten en op € 1590 voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren D.H. Beukenhorst, L. Monné, J.W. van den Berge en A.R. Leemreis, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 februari 2002.