5 maart 2002
Strafkamer
nr. 00474/01
SO/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een vonnis van de Arrondissementsrechtbank te Breda van 27 mei 1999, nummer 02/005435-97, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Algerije) op [geboortedatum] 1947, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
De Politierechter heeft de verdachte - voorzover in cassatie van belang - ter zake van 3. "overtreding van artikel 107, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994" en 4. "als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheids- verzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden" veroordeeld ten aanzien van feit 3 tot een geldboete van ƒ 200,--, subsidiair vier dagen hechtenis en ten aanzien van feit 4 tot een geldboete van ƒ 500,--, subsidiair tien dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Middelen van cassatie zijn door of namens deze niet voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
De Hoge Raad oordeelt geen grond aanwezig waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd. Daarom moet het cassatieberoep worden verworpen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens en J.P. Balkema, in bijzijn van de waarnemend-griffier I.W.P. Verboon, en uitgesproken op 5 maart 2002.
Mr. Van Buchem-Spapens is buiten staat dit arrest te ondertekenen.