ECLI:NL:HR:2002:AD9113

ECLI:NL:HR:2002:AD9113, Hoge Raad, 05-04-2002, C00/171HR

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 05-04-2002
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer C00/171HR
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2002:AD9113
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 9 zaken
Aangehaald door 7 zaken
8 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0001830 BWBR0002656 BWBR0002830 BWBR0005289 BWBR0006641 BWBR0007795 BWBR0018831

Samenvatting

-

Uitspraak

5 april 2002

Eerste Kamer

Nr. C00/171HR

SB

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[De vrouw], wonende te [woonplaats],

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. B.D.W. Martens,

t e g e n

[De man], wonende te [woonplaats],

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.H. van der Woude.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerder in cassatie - verder te noemen: de man - heeft bij exploit van 4 juni 1992 eiseres tot cassatie - verder te noemen: de vrouw - gedagvaard voor de Rechtbank te Arnhem en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de gemeenschap aldus vast te stellen dat:

1. de pensioenrechten in die zin worden verdeeld dat de vrouw vanaf haar pensioendatum (10 december 1994) jaarlijks ƒ 13.710,-- aan de man zal betalen in maandelijkse termijnen van ƒ 1.142,50, te verhogen overeenkomstig de indexeringsbepalingen van de desbetreffende pensioenfonds(en);

2. de vrouw aan de man de helft van de aanslagen inkomstenbelasting en premieheffing 1985 ad in totaal ƒ 642,--, derhalve ƒ 321,-- zal voldoen;

3. de vrouw de helft van hetgeen zij over 1985 ter zake van belastingen en/of premieheffing heeft (terug)ontvangen aan de man zal voldoen;

4. de vrouw aan de man de helft van de kosten van het opstellen van het proces-verbaal van zwarigheden zal voldoen, derhalve ƒ 2.206,70;

5.de vrouw te veroordelen tot voldoening van de wettelijke rente over de bedragen onder 2, 3 en 4, ingaande de dag van de dagvaarding tot aan de dag van de algehele voldoening.

De vrouw heeft de vorderingen bestreden en ten aanzien van de vordering tot verdeling van de opgebouwde pensioenrechten geconcludeerd: primair tot afwijzing van de vordering tot verdeling van de opgebouwde pensioenrechten vanaf de pensioendatum, subsidiair tot afwijzing van de vordering tot verdeling van de opgebouwde pensioenrechten voor zover het betreft de pensioenrechten die vóór het huwelijk zijn opgebouwd, tot afwijzing van de vordering tot verrekening van de aanslagen en (terug)ontvangen inkomstenbelasting en premieheffing 1985, en tot referte zover het betreft de vordering tot verrekening van de kosten verbonden aan het opstellen van het proces-verbaal van zwarigheden.

De Rechtbank heeft bij tussenvonnis van 22 december 1994 een comparitie van partijen gelast en bij tussenvonnis van 19 oktober 1995 de vrouw in de gelegenheid gesteld stukken in het geding te brengen. Bij tussenvonnis van 4 juli 1996 heeft de Rechtbank een deskundigenonderzoek bevolen en daartoe vragen geformuleerd. Na deskundigenbericht heeft de Rechtbank bij eindvonnis van 10 september 1998 de verdeling van de gemeenschap aldus vastgesteld dat de pensioenrechten worden verdeeld overeenkomstig het bepaalde in dit vonnis in de rechtsoverwegingen 3 en 5. Voorts heeft de Rechtbank bepaald dat de vrouw ter zake van inkomstenbelasting en premieheffing 1985 aan de man dient te betalen ƒ 451,50, dit laatste bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 4 juni 1992, en het meer of anders gevorderde afgewezen.

Tegen dit eindvonnis heeft de vrouw hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Arnhem. Daarbij heeft de vrouw gevorderd voormeld eindvonnis te vernietigen en geconcludeerd ten aanzien van de verdeling van de opgebouwde pensioenrechten vanaf de pensioendatum primair tot afwijzing van deze vordering, subsidiair tot matiging van het recht op pensioenverdeling met een beroep op de redelijkheid en billijkheid zodanig dat de waardeberekening op nihil uitkomt, en meer subsidiair tot matiging van het recht op pensioenverdeling conform de normen die gelden sinds de invoering van de pensioenwet d.d. 1 mei 1995. De man heeft incidenteel appel ingesteld.

Bij arrest van 22 februari 2000 heeft het Hof, rechtdoende in het principaal en incidenteel hoger beroep de bestreden vonnissen van de Rechtbank te Arnhem bekrachtigd.

Het arrest van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het Hof heeft de vrouw beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De man heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal Jhr. J.L.R.A. Huydecoper strekt tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Partijen zijn op 30 juni 1972 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Hun huwelijk is op 22 september 1986 ontbonden door de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van het vonnis waarbij tussen hen echtscheiding is uitgesproken. Partijen hebben een geschil over de verdeling van de door hen opgebouwde pensioenrechten. De Rechtbank heeft in haar eindvonnis de verdeling vastgesteld. Dit vonnis is door het Hof bekrachtigd.

3.2.1 Onderdeel II keert zich tegen rov. 4.10 van het arrest van het Hof. Daarin heeft het Hof het subsidiair aangevoerde standpunt van de vrouw verworpen. Dit standpunt hield in dat de aan de man toe te delen pensioenrechten zodanig zullen worden gematigd dat in feite de Wet verevening pensioenrechten na scheiding van 28 april 1994 (Stb. 342) analogisch wordt toegepast. Het Hof was van oordeel dat de door de vrouw aangevoerde omstandigheden - het huwelijk van partijen was kinderloos, beiden hadden inkomen en opgebouwd pensioen vóór het huwelijk, hun verdiencapaciteit was niet geschaad, de vrouw deed de huishouding, het pensioen was niet het resultaat van gezamenlijke inspanningen van partijen en de vrouw heeft ruimschoots aan haar verzorgingsplicht op grond van art. 1:81 BW jegens de man voldaan - niet ertoe leiden dat voormelde wet, die van een geheel andere maatstaf uitgaat, analogisch kan worden toegepast. Het Hof achtte "onverkorte toepassing van pensioenverrekening" die tot gevolg heeft dat de vrouw het grootste gedeelte van haar ouderdomspensioen moet uitkeren aan de man, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Matiging zoals door de Rechtbank toegepast, is naar het oordeel van het Hof gelet op alle omstandigheden wel aanvaardbaar.

3.2.2 Het onderdeel klaagt dat deze oordelen van het Hof onbegrijpelijk en innerlijk tegenstrijdig zijn, doch tevergeefs.

3.2.3 Het Hof heeft terecht in aanmerking genomen dat het in dit geval gaat om een verrekening van de pensioenrechten op grond van de verdeling van de gemeenschap van goederen waarin partijen waren gehuwd en niet om een pensioenverevening als bedoeld in genoemde wet. Aan deze pensioenverevening ligt immers een ander uitgangspunt, namelijk de verzorgingsplicht van de echtgenoten jegens elkaar, ten grondslag.

3.2.4 Hiervan uitgaande is het oordeel van het Hof dat erop neerkomt dat er geen grond is om ten aanzien van het subsidiaire standpunt van de vrouw anders te oordelen dan het Hof reeds had gedaan met betrekking tot het primaire beroep op matiging, dat in de kern eveneens ertoe strekte dat slechts de tijdens het huwelijk opgebouwde pensioenrechten zouden worden verdeeld, niet onbegrijpelijk.

3.3 De overige in het middel aangevoerde klachten kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

verwerpt het beroep;

compenseert de kosten van het in geding in cassatie aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, D.H. Beukenhorst en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 5 april 2002.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOL 2002, 210 NJ 2002, 366 met annotatie van W.M. Kleijn FJR 2002, 67 JWB 2002/134
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?