Nr. 1336
22 februari 2002
JV
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
eiser tot cassatie,
advocaat: mr. C.M.E. Verhaegh,
tegen
de gemeente 's-Gravenhage,
waarvan de zetel is gevestigd te 's-Gravenhage,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. K.T.B. Salomons.
1.Geding in feitelijke instantie
1.1. De gemeente 's-Gravenhage (hierna: de Gemeente) heeft bij exploit van 3 augustus 2000 [eiser] doen dagvaarden voor de Arrondissementsrechtbank te
's-Gravenhage en ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan Regentesse-/Valkenboskwartier Zuid Tweede herziening (Valkenbos-Zuid I) onder meer gevorderd, voorzover in cassatie nog van belang, de vervroegd uit te spreken onteigening ten behoeve van de Gemeente van de onroerende zaak [het pand] te 's-Gravenhage, [...], waarvan [eiser] als eigenaar is aangewezen, alsmede de vaststelling van de aan [eiser] uit te keren schadeloosstelling.
1.2. Nadat de Rechtbank bij vonnis van 17 oktober 2000 de gevorderde onteigening bij vervroeging had uitgesproken, welk vonnis op 1 december 2000 is ingeschreven in de openbare registers, heeft zij, voor zover in cassatie nog van belang, bij het thans bestreden vonnis van 18 april 2001 de schadeloosstelling voor [eiser] vastgesteld op ƒ 290.000. Het vonnis is aan dit arrest gehecht.
2.Geding in cassatie
2.1. [Eiser] heeft tegen het vonnis van 18 april 2001 beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2.3. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten. [eiser] heeft gerepliceerd, de Gemeente gedupliceerd.
2.4. De Advocaat-Generaal Th. Groeneveld heeft op 16 november 2001 geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Uit het in cassatie bestreden vonnis blijkt dat de deskundigen, bij hun waardering van het onteigende pand met het oog op de vaststelling van de schadevergoeding, voor wat de bovenwoning betreft zijn uitgegaan van de verhuurde staat daarvan. De Rechtbank heeft vervolgens, kennelijk ervan uitgaande dat de bovenwoning ten tijde van de inschrijving van het vonnis tot vervroegde onteigening in de openbare registers nog verhuurd was - welk uitgangspunt in cassatie niet is bestreden -, geoordeeld dat de deskundigen terecht zijn uitgegaan van de verhuurde staat van de bovenwoning.
3.2. Daarbij heeft de Rechtbank het beroep van [eiser] op schriftelijke verklaringen van de huurders dat zij de woning vrijwillig zullen verlaten uiterlijk op de datum van de verkoop c.q. oplevering aan de Gemeente, verworpen op de gronden dat deze verklaringen zijn opgesteld in de onderhandelingsfase vóór de onteigening en niet leiden tot de conclusie dat er sprake is van leegstand van de bovenwoning. Daarmee heeft de Rechtbank tot uitdrukking gebracht dat bij een veronderstelde koop in het vrije commerciële verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper op 1 december 2000, de dag van de inschrijving van het onteigeningsvonnis in de openbare registers, deze verklaringen naar haar oordeel geen invloed zouden hebben gehad op de bepaling van de prijs. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan voor het overige, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Voorzover het tweede onderdeel van het middel dit oordeel bestrijdt, faalt het derhalve.
3.3. Het tweede onderdeel van het middel faalt ook voor het overige. De Rechtbank behoefde zich niet van haar oordeel dat de deskundigen bij de waardering van de bovenwoning terecht zijn uitgegaan van de waarde in verhuurde staat daarvan, te laten weerhouden door de omstandigheid dat de Gemeente aan de huurder van de bedrijfsruimte het voortgezet gebruik tot
1 september 2001 had aangeboden, en die omstandigheid maakt de motivering van dat oordeel ook niet onbegrijpelijk.
3.4. Het middel kan ook voor het overige niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 286,88 aan verschotten en op € 1365 voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E. Korthals Altes als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, P.J. van Amersfoort, J.W. van den Berge, en A.R. Leemreis, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en door de raadsheer A. Hammerstein uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 februari 2002.