ECLI:NL:HR:2002:AE4038

ECLI:NL:HR:2002:AE4038, Hoge Raad, 11-10-2002, R02/012HR

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 11-10-2002
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer R02/012HR
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2002:AE4038
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 1 zaken
4 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001827 BWBR0002368 BWBR0002656 BWBR0007333

Samenvatting

-

Uitspraak

11 oktober 2002

Eerste Kamer

Rek.nr. R02/012HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Beschikking

in de zaak van:

[Verzoeker], wonende te [woonplaats],

VERZOEKER tot cassatie,

advocaat: mr. M.H. van der Woude,

t e g e n

DE GEMEENTE GRONINGEN, gevestigd te Groningen,

VERWEERSTER in cassatie,

niet verschenen.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 20 januari 2000 ter griffie van de Rechtbank te Groningen ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht:

ten aanzien van de lopende bijdrage:

- wat betreft het verhaal van nog te maken kosten van bijstand een bedrag van ƒ 1.020,-- per maand vast te stellen, dat door [verzoeker] aan de Gemeente zal worden betaald met ingang van de datum van de beschikking van de Rechtbank;

ten aanzien van de achterstand:

a. het bedrag aan achterstand over de periode 1 juni 1999 tot 1 januari 2000 vast te stellen op ƒ 7.140,--, vermeerderd met ƒ 1.020,-- per maand tot de datum van de beschikking van de Rechtbank;

b. te bepalen dat door [verzoeker] aan de Gemeente zal worden betaald ter zake van afbetaling van deze achterstand een bedrag van ƒ 100,-- per maand met ingang van een door de Rechtbank te bepalen datum;

c. te bepalen dat - voor het geval [verzoeker] in gebreke blijft voornoemd aflossingsbedrag aan de Gemeente te voldoen - door de Gemeente de totaalsom ad ƒ 7.140,-- verminderd met wat daarop inmiddels is betaald ineens kan worden ingevorderd.

[Verzoeker] heeft geen verweerschrift ingediend.

De Rechtbank heeft bij beschikking van 4 april 2000 het door [verzoeker] met ingang van 1 juni 1999 aan de Gemeente te betalen verhaalsbedrag vastgesteld op ƒ 1.020,-- per maand, en voorts de achterstand over de periode vanaf 1 juni 1999 tot 1 april 2000 vastgesteld op ƒ 10.200,-- met bepaling dat deze achterstand vanaf 1 april 2000 zal worden voldaan met ƒ 100,-- per maand.

Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.

Bij beschikking van 28 november 2001 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende:

- het door [verzoeker] aan de Gemeente te betalen bedrag ter zake van verhaal van door de Gemeente gemaakte kosten van bijstand ten behoeve van de minderjarige kinderen van [verzoeker] en [betrokkene 1] vastgesteld op ƒ 390,-- per maand vanaf 1 juni 1999 tot 1 november 2000;

- het totaalbedrag van de achterstand in de betalingen van de verhaalsbijdrage over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 bepaald op ƒ 6.630,--, te verminderen met hetgeen [verzoeker] te dier zake reeds heeft voldaan;

- [verzoeker] veroordeeld tot betaling van dit totaalbedrag af te lossen in maandelijkse termijnen van ƒ 100,-- vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze beschikking totdat dat totaalbedrag is voldaan;

- bepaald dat voormeld totaalbedrag, verminderd met de daarop reeds betaalde termijnen, door de Gemeente ineens kan worden ingevorderd ingeval [verzoeker] in gebreke blijft deze aflossingsbetalingen te voldoen;

- het meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van het Hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Gemeente heeft geen verweerschrift ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad op de in de conclusie in 2.9 omschreven wijze.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Uit de relatie van [verzoeker] en [betrokkene 1], welke relatie tot mei 1997 heeft geduurd, zijn twee kinderen geboren, op 14 november 1990 en op 11 maart 1993. Beide kinderen zijn door [verzoeker] erkend.

De Gemeente heeft sedert 21 april 1997 aan [betrokkene 1] een uitkering verstrekt krachtens de Algemene bijstandswet naar de norm van een alleenstaande ouder, welke uitkering mede strekt ten behoeve van voornoemde bij haar verblijvende minderjarige kinderen. Bij verhaalsbesluit van 20 juli 1999 heeft de Gemeente de door [verzoeker] te betalen verhaalsbijdrage vastgesteld op ƒ 1.020,-- per maand met ingang van 1 juni 1999. Deze verhaalsbijdrage heeft uitsluitend betrekking op de beide minderjarige kinderen jegens wie [verzoeker] onderhoudsplichtig is.

3.2 In het onderhavige geding heeft de Gemeente verzocht het verhaalsbedrag vast te stellen. In hoger beroep heeft zij verzocht het door [verzoeker] aan haar te betalen verhaalsbedrag voor beide kinderen tezamen vast te stellen op ƒ 390,-- per maand over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 en te bepalen dat de over die periode ontstane achterstand zal worden voldaan in termijnen van ƒ 100,-- per maand. Bij de behandeling van het verzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn partijen blijkens rov. 10 en 11 van de beschikking van het Hof het erover eens geworden dat de behoefte van de beide kinderen ƒ 390,-- per maand bedraagt en dat de verhaalsperiode loopt van 1 juni 1999 tot 1 november 2000.

Het Hof heeft met het oog op de vaststelling van het verhaalsbedrag overwogen dat de door de Gemeente verhaalde bijstand voor [verzoeker] "als persoonlijke verplichting volledig fiscaal aftrekbaar" is, zodat [verzoeker] in staat is een verhaalsbedrag van ƒ 434,-- per maand, inclusief fiscaal voordeel, te betalen. Nu dit bedrag de behoefte van de kinderen te boven gaat, heeft het Hof overeenkomstig het verzoek van de Gemeente het verhaalsbedrag over de periode 1 juni 1999 tot 1 november 2000 vastgesteld op ƒ 390,-- per maand en, gelet daarop, de achterstand over voormelde periode bepaald op ƒ 6.630,-- te verminderen met hetgeen [verzoeker] te dier zake reeds heeft voldaan. Het heeft voorts de aflossing van de achterstand bepaald op ƒ 100,-- per maand (rov. 22 - 24).

3.3 Onderdeel I, dat zich keert tegen 's Hofs overweging dat de verhaalde bijstand volledig aftrekbaar is als persoonlijke verplichting, treft doel. De Wet IB 1964 bevat noch met betrekking tot de verschuldigde bijdrage voor het levensonderhoud van een minderjarig kind noch met betrekking tot de verhaalsbijdrage voor een minderjarig kind een bepaling waaruit zodanige aftrekbaarheid zou volgen.

3.4 Onderdeel II berust op de veronderstelling dat het Hof zou hebben geoordeeld dat de Inspectie waaronder [verzoeker] ressorteert, over de relevante periode als beleid hanteert de verhaalsbijdrage in aftrek toe te staan als ware het een persoonlijke verplichting op de voet van art. 45 Wet IB. Het onderdeel mist feitelijke grondslag en kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3.5 De gegrondbevinding van onderdeel I kan, voor zover het betreft de periode van 1 juli 1999 - 1 november 2000, niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden, aangezien [verzoeker] op grond van hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.6 - 2.8 daarbij geen belang heeft. De Hoge Raad zal derhalve deze beschikking slechts vernietigen voor zover zij betrekking heeft op de maand juni 1999.

De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu het Hof, in cassatie onbestreden, heeft vastgesteld dat zonder rekening te houden met fiscale aftrekbaarheid ƒ 272,-- per maand voor alimentatie beschikbaar is (rov. 21), zal de Hoge Raad de bijdrage over de maand juni 1999 bepalen op dit bedrag en dienovereenkomstig de achterstand in de verhaalsbijdrage vaststellen op in totaal ƒ 6.512,--.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Leeuwarden van 28 november 2001, voor zover de achterstand in de betalingen van de verhaalsbijdragen over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 is bepaald op ƒ 6.630,--, en bepaalt die achterstand op ƒ 6.512,--.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 11 oktober 2002.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOL 2002, 526 NJ 2003, 242
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?