ECLI:NL:HR:2002:AE4199

ECLI:NL:HR:2002:AE4199, Hoge Raad, 01-10-2002, 01339/01

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 01-10-2002
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 01339/01
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2002:AE4199
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Aangehaald door 9 zaken
2 wettelijke verwijzingen

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0006622

Samenvatting

-

Uitspraak

1 oktober 2002

Strafkamer

nr. 01339/01

AG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 22 mei 2001, nummer 22/001605-00, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1948, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 7 februari 2000, voorzover aan 's Hof oordeel onderworpen, - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 7, eerste lid aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot een geldboete van zeshonderd gulden, subsidiair twaalf dagen hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. A.H. Westendorp, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Jörg heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel bevat de klacht dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat de verdachte "als bestuurder of als verkeersdeelnemer was betrokken" bij het in de bewezenverklaring bedoelde ongeval.

3.2.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij:

"op 12 december 1997 te Rijswijk, betrokken bij een verkeersongeval op de Caan van Necklaan, de plaats van het ongeval heeft verlaten, terwijl bij dat ongeval naar hij wist aan een ander (te weten [betrokkene 1]) letsel was toegebracht."

3.2.3. 's Hofs bewezenverklaring steunt op onder meer de volgende bewijsmiddelen:

- de verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep, voorzover inhoudende:

"Op 12 december 1997 had ik mijn auto, een Golf, geparkeerd te Rijswijk. Ik ben van beroep glazenwasser. De ladders die op het dak van mijn auto lagen, zijn 3,5 meter lang en staken ongeveer een halve meter uit. Ik was bij een kennis op bezoek. Toen ik naar buiten kwam, zag ik een man op straat met een wond op zijn hoofd. Ik had begrepen dat hij tegen de ladder was gefietst. Ik ben weggereden. Ik ben niet naar de politie gegaan, omdat ik aannam dat de omstanders het kenteken van mijn auto hadden genoteerd."

- de verklaring van [betrokkene 1], afgelegd tegenover de politie, voorzover inhoudende:

"Op 12 december 1997 reed ik op mijn fiets te Rijswijk. Gekomen ter hoogte van de Caan van Necklaan 151a voelde ik een enorme klap op mijn neus. Ik viel opzij met fiets en al en kwam met mijn achterhoofd op straat terecht. Ik zag dat ik met mijn hoofd tegen een houten ladder was aangereden die horizontaal op het dak van een geparkeerd staande personenauto lag. De ladder stak ongeveer een meter achter de auto uit en kwam daardoor geheel boven de fietsstrook. Na ongeveer vijf minuten kwam een man naar buiten. Deze man liep direct naar de auto met de ladder op het dak. De omstanders spraken de man aan. Ik hoorde de man zeggen dat het zijn schuld niet was. Kort daarna zag ik de man niet meer. Kennelijk was hij weggereden. Hij heeft geen gegevens aan mij doorgegeven. Als gevolg van de aanrijding had ik een gekneusde neus, een snijwond in mijn lip, een bult op mijn achterhoofd en een schaafwond op mijn linkerhand."

- de verklaring van [betrokkene 2], afgelegd tegenover de politie, voorzover inhoudende:

"Op 12 december 1997 zag ik een man fietsen te Rijswijk. Gekomen bij, wat mij later bleek perceel 151a, zag ik dat de man op de fiets met zijn hoofd tegen een ladder aanreed die lag op het dak van een personenauto. Ik schat dat deze ladder tenminste half over de fietsstrook uitstak. Enkele minuten hierna kwam een man naar buiten lopen. Hij werd door een omstander aangesproken over de ladder. Vervolgens stapte de man in de auto waar de ladder op bevestigd was en reed weg zonder zich te bekommeren om het slachtoffer. Deze had een fikse hoofdwond. De man heeft het slachtoffer nog wel gezien."

3.3. Art. 7, eerste lid aanhef en onder a, WVW 1994 strekt ertoe te voorkomen dat voor een verkeersongeval aansprakelijke personen zich onttrekken aan de gevolgen van dat ongeval, terwijl die bepaling mede erop is gericht te bevorderen dat de identiteit van de bij zo een ongeval betrokkenen en het motorrijtuig komt vast te staan om vaststelling van nog onzekere aansprakelijkheid mogelijk te maken. Daarom dient degene die bij dat ongeval is betrokken of door wiens gedraging het ongeval is veroorzaakt - ongeacht of hij daaraan schuld heeft - op de plaats van het ongeval behoorlijk gelegenheid te bieden tot vaststelling van zijn identiteit en, voorzover hij een motorrijtuig bestuurde, tevens van de identiteit van dat motorrijtuig. Onjuist is derhalve de opvatting van het middel dat die gelegenheid slechts behoeft te worden geboden indien hij "als bestuurder of verkeersdeelnemer" betrokken is bij het verkeersongeval.

3.4. In aanmerking genomen dat de gebezigde bewijsmiddelen inhouden dat de verdachte zijn auto zodanig had geparkeerd dat een of meer daarop bevestigde ladders over de fietsstrook van de weg uitstaken en dat een fietser daar tegenaan is gereden, waardoor deze letsel bekwam, en gelet op zijn mogelijk daaruit voortvloeiende civielrechtelijke aansprakelijkheid, heeft het Hof kunnen oordelen dat de verdachte bij dat verkeersongeval "betrokken" was in de zin van art. 7, eerste lid aanhef en onder a, WVW 1994.

3.5. Het middel faalt derhalve.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster, G.J.M. Corstens, A.M.J. van Buchem-Spapens en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 1 oktober 2002.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOL 2002, 522 NJ 2002, 572 VR 2003, 89 met annotatie van J.B.H.M. Simmelink NbSr 2002/278
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?