ECLI:NL:HR:2003:AF3371

ECLI:NL:HR:2003:AF3371, Hoge Raad, 01-04-2003, 00931/02

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 01-04-2003
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 00931/02
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2003:AF3371
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 2 zaken
Aangehaald door 11 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854 BWBR0001903 BWBR0006299 BWBR0006622 BWBR0008805 BWBR0018607

Samenvatting

-

Uitspraak

1 april 2003

Strafkamer

nr. 00931/02

ES/ABG

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 19 november 2001, nummer 22/001651-01, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1952, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Dordrecht van 25 juni 2001 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994" veroordeeld tot twee weken gevangenisstraf, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van ƒ 1.500,-, subsidiair dertig dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zeven maanden.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. Tj.E. van der Spoel, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd en de zaak naar een aangrenzend Gerechtshof zal worden verwezen teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel komt op tegen de verwerping van het in hoger beroep gevoerde verweer dat er sprake is van schending van de art. 4, eerste lid, en 7, eerste lid, van het Besluit alcoholonderzoeken.

3.2.1. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:

"hij op 28 april 2001 te Oud-Beijerland, als degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een auto te hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 en aan wie door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van genoemde wet, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor het onderzoek bestemd apparaat."

3.2.2. Het in het middel bedoelde verweer is door het Hof in het verkorte arrest als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft aangevoerd dat er sprake is van schending van de artikelen 4 lid 1 en 7 lid 1 van het Besluit alcoholonderzoeken.

Het Hof verwerpt dit verweer reeds daarom omdat er in casu geen ademonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 heeft plaatsgevonden."

3.2.3. Het tot het bewijs gebezigde ambtsedig proces-verbaal met het relaas van de verbalisanten Van den Berg, Van der Wulp en Verlinde, houdt - voorzover voor de beoordeling van het middel van belang - in:

"Ik, verbalisant Verlinde, heb op 28 april 2001 te 22.25 uur in de gemeente Oud-Beijerland de verdachte bevolen medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid sub a, van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij ik hem heb meegedeeld dat weigering een misdrijf oplevert. De verdachte gaf geen gevolg aan dit bevel, hetgeen mij bleek uit het feit dat door hem in het geheel geen medewerking werd verleend aan het onderzoek. Dit bleek mij uit het feit dat hij geen enkele poging ondernam om in het mondstuk van het ademanalyse-apparaat te blazen."

3.3. De van belang zijnde bepalingen van het Besluit alcoholonderzoeken (KB van 24 maart 1999, Stb. 147) luiden als volgt:

- art. 1:

"In dit besluit wordt verstaan onder:

ademanalyse: het vaststellen van het alcoholgehalte van uitgeademde lucht door middel van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onderdeel a, van de Wegenverkeerswet 1994 (...);

ademanalyse-apparaat: een apparaat, bestemd voor het verrichten van ademanalyse;"

- art. 4, eerste lid:

"1. Het ademanalyse-apparaat dient te zijn voorzien van een geldige verklaring van goedkeuring, afgegeven door een door Onze Minister van Justitie aangewezen keuringsinstelling."

- art. 7, eerste lid:

"1. Het ademanalyse-apparaat wordt bediend door een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, die daartoe door de betrokken korpschef, bedoeld in artikel 24, onderscheidenlijk 38 van de Politiewet 1993, of de betrokken brigade-commandant van de Koninklijke Marechaussee is aangewezen."

3.4. Vooropgesteld moet worden dat de art. 4, eerste lid, en 7, eerste lid, Besluit alcoholonderzoeken ertoe strekken de juistheid te waarborgen van het resultaat van een ademanalyse. Art. 4, eerste lid, Besluit alcoholonderzoeken stelt hiertoe eisen aan het apparaat waarmee de ademanalyse wordt uitgevoerd, terwijl art. 7, eerste lid, van dat besluit de uitvoering van een dergelijk onderzoek opdraagt aan speciaal daartoe aangewezen opsporingsambtenaren.

3.5. Aan een verdachte die, zoals hier, niet heeft voldaan aan de verplichting ademlucht te blazen in een voor de ademanalyse bestemd apparaat en wiens gebrek aan medewerking ertoe heeft geleid dat het ademonderzoek niet is voltooid, komt, behoudens bijzondere omstandigheden, geen beroep toe op het verweer dat het bepaalde in de art. 4, eerste lid, en 7, eerste lid, Besluit alcoholonderzoeken niet zou zijn nageleefd. Dit geldt ook - anders dan de Hoge Raad in eerdere rechtspraak heeft beslist - indien de verdachte medewerking weigert nadat met het onderzoek een aanvang is gemaakt.

Van bijzondere omstandigheden, die in de onderhavige zaak niet aan de orde zijn, kan sprake zijn indien de verdachte bij de politie zijn weigering daarop heeft gegrond dat het desbetreffende ademanalyse-apparaat niet is voorzien van een geldige verklaring van goedkeuring of dat dit apparaat niet wordt bediend door een daartoe aangewezen opsporingsambtenaar.

3.6. Uit het vorenoverwogene volgt dat het Hof het verweer terecht heeft verworpen, zodat het middel faalt.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, E.J. Numann en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 1 april 2003.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOL 2003, 210 NJ 2003, 304 VR 2003, 72 met annotatie van J.B.H.M. Simmelink NbSr 2003/189
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?