25 april 2003
Eerste Kamer
Nr. C01/266HR
MD
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[A] B.V., handelende onder de naam 't Sweiland, gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie,
advocaat: mr. M.A. Leijten,
t e g e n
1. [Verweerder 1], en
2. [Verweerster 2], beiden wonende te [woonplaats],
3. RUTIN B.V., gevestigd te Sloten,
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - hebben bij exploit van 8 september 1999 eiseres tot cassatie - verder te noemen: 't Sweiland - op verkorte termijn gedagvaard voor de Kantonrechter te Sneek en gevorderd:
1. vast te stellen dat de huurovereenkomst per 1 mei 1999 tussen partijen is geëindigd;
2. 't Sweiland te veroordelen de gehuurde zaken met aanhorigheden, met uitzondering van de in de dagvaarding nader genoemde verpande zaken en onder afgifte van de sleutels van alle gebouwen aan [verweerder] c.s., te ontruimen op straffe van een dwangsom;
3. voor de periode dat 't Sweiland in het genot van het gehuurde blijft: betaling van een vergoeding, gelijk aan de geldende huurprijs tot 1 mei 1999 van ƒ 8.731,72 (incl. BTW) per maand, een en ander bij vooruitbetaling te voldoen.
't Sweiland heeft de vordering bestreden.
Na een ingevolge een tussenvonnis van 3 november 1999 op 16 december 1999 gehouden comparitie van partijen heeft de Kantonrechter bij eindvonnis van 19 januari 2000 de vordering afgewezen.
Tegen het eindvonnis van de Kantonrechter hebben [verweerder] c.s. hoger beroep ingesteld bij de Rechtbank te Leeuwarden. In hoger beroep hebben [verweerder] c.s. hun vordering onder 3. als volgt gewijzigd:
"- voor de periode dat 't Sweiland (in) het genot van het gehuurde blijft een vergoeding te betalen gelijk aan de geldende huurprijs vanaf 1 mei 1999 van ƒ 8.731,72 inclusief BTW per maand, en vanaf 1 mei 2000 ƒ 8.920,60 inclusief BTW een en ander bij vooruitbetaling te voldoen."
Bij vonnis van 2 mei 2001 heeft de Rechtbank het vonnis van de Kantonrechter van 19 januari 2000 vernietigd en, opnieuw beslissende:
i. voor recht verklaard dat de huurovereenkomst per 1 mei 1999 tussen partijen is geëindigd;
ii. 't Sweiland veroordeeld om de gehuurde zaken met aanhorigheden geheel ontruimd - met uitzondering van de verpande rijdende kraan, de craddlewagen en de aangepaste blokken - en onder afgifte van de sleutels van alle gebouwen aan [verweerder] c.s. binnen drie maanden te ontruimen op straffe van een dwangsom ƒ 2.500,-- per dag dat 't Sweiland nalatig blijft om de onroerende zaak aan [adres] aan [verweerder] c.s. ter beschikking te stellen, met een maximum van ƒ 500.000,--,;
iii. 't Sweiland veroordeeld om terzake van schadeloosstelling voor de periode dat 't Sweiland in het genot van het gehuurde is gebleven, c.q. blijft van 1 mei 1999 tot 1 mei 2000 een vergoeding te betalen van ƒ 8.731,72 (inclusief BTW) per maand en vanaf 1 mei 2000 een vergoeding van ƒ 8.920,60 (inclusief BTW) per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.
Het vonnis van de Rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het vonnis van de Rechtbank heeft 't Sweiland beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerder] c.s. is verstek verleend.
De zaak is voor 't Sweiland toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt 't Sweiland in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, H.A.M. Aaftink, A.G. Pos en O. de Savornin Lohman, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.B. Bakels op 25 april 2003.