25 november 2003
Strafkamer
nr. 03010/00B
hjh/DAT
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Breda van 11 augustus 2000, nummer 00/567, 00/568 en 00/569, in de strafzaak tegen:
[klager 1], de maatschap [klaagster 2], gevestigd te [vestigingsplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft de onder de maatschap [klaagster 2] inbeslaggenomen runderen - zoals gespecificeerd op de lijst behorende bij de kennisgeving van inbeslagneming nummer 00/567, 00/568 en 00/569 - aan het verkeer onttrokken verklaard.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de klagers. Namens hen is een schriftuur ingediend. De Hoge Raad kan daarop ingevolge art. 447, vijfde lid (oud), Sv geen acht slaan.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vordering tot onttrekking aan het verkeer.
3. Ambtshalve beoordeling van de bestreden beschikking
3.1. Uit de beschikking van de Rechtbank kan worden afgeleid dat het hier betreft een afzonderlijke rechterlijke beschikking op de voet van art. 552f, eerste lid, Sv naar aanleiding van een vordering van het Openbaar Ministerie op grond van art. 36b, eerste lid onder 4°, Sr tot onttrekking aan het verkeer van 23 runderen.
3.2. Op grond van de door de Advocaat-Generaal in zijn conclusie verstrekte gegevens moet worden aangenomen dat de Officier van Justitie in deze zaak is overgegaan tot vervolging van de klagers en dat de vervolging van één van de klagers nog hangende is. Dat brengt mee dat voor een vordering tot onttrekking aan het verkeer op de voet van art. 552f, Sv geen plaats is ( vgl. HR 11 maart 1986, NJ 1986, 574). De Hoge Raad vindt daarin aanleiding de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.
4. Slotsom
Uit het voorgaande vloeit voort dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden beschikking;
Verklaart de Officier van Justitie alsnog niet-ontvankelijk in de vordering.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren F.H. Koster en G.J.M. Corstens, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 november 2003.