ECLI:NL:HR:2004:AO6918

ECLI:NL:HR:2004:AO6918, Hoge Raad, 25-06-2004, C03/075HR

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 25-06-2004
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer C03/075HR
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2004:AO6918
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 4 zaken
6 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001939 BWBR0002375 BWBR0005181 BWBR0005289 BWBR0005291 BWBR0005416

Samenvatting

25 juni 2004 Eerste Kamer Nr. C03/075HR JMH/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: DE GEMEENTE HAARLEMMERLIEDE EN SPAARNWOUDE, gevestigd te Halfweg, gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. M.W. Scheltema, t e g e n WABRON B.V., gevestigd te Haarlem, VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.T.R.F. Carli. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Uitspraak

25 juni 2004

Eerste Kamer

Nr. C03/075HR

JMH/AT

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

DE GEMEENTE HAARLEMMERLIEDE EN SPAARNWOUDE,

gevestigd te Halfweg, gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude,

EISERES tot cassatie,

advocaat: mr. M.W. Scheltema,

t e g e n

WABRON B.V.,

gevestigd te Haarlem,

VERWEERSTER in cassatie,

advocaat: mr. R.T.R.F. Carli.

1. Het geding in feitelijke instanties

Verweerster in cassatie - verder te noemen: Wabron - heeft bij exploot van 5 november 1993 eiseres tot cassatie - verder te noemen: de Gemeente - gedagvaard voor de rechtbank te Haarlem en gevorderd bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Gemeente te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Wabron te betalen een bedrag van ƒ 38.289,58, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 maart 1993 tot aan de dag der algehele voldoening, en voorts een bedrag van ƒ 3.474,48 terzake buitengerechtelijke incassokosten en voorts Wabron te veroordelen in de kosten van dit geding.

De Gemeente heeft de vordering bestreden.

De rechtbank heeft bij vonnis van 6 februari 2001 de vordering afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft Wabron hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.

Bij arrest van 21 november 2002 heeft het hof het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 6 februari 2001 waarvan beroep vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van Wabron alsnog toegewezen tot een bedrag van € 17.375,05, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 maart 1993 en met de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van € 1.576,65.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft de Gemeente beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Wabron heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak naar een ander hof.

De advocaat van Wabron heeft bij brief van 15 april 2004 op die conclusie gereageerd.

3. Beoordeling van het middel

3.1 Wat betreft de feiten en het verloop van de procedure verwijst de Hoge Raad naar de punten 1.1.1-1.1.12 van de conclusie van de Advocaat-Generaal en naar het hiervoor onder 1 overwogene.

3.2 Voorzover thans van belang gaat het om het volgende.

Burgemeester en Wethouders van de Gemeente hebben bij besluit van 26 september 1991, aan de aanvrager verzonden op 2 oktober 1991, een door '[A] b.v.' aangevraagde bouwvergunning verleend.

Stellende dat de Gemeente onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door een bouwvergunning af te geven terwijl inmiddels het daarvoor nodige besluit van de raad van de Gemeente, dat voor het perceel waarop de aanvraag betrekking had een herziening van het bestemmingsplan werd voorbereid, was verlopen, heeft Wabron vergoeding van de als gevolg van dit onrechtmatig handelen door haar geleden schade gevorderd. De rechtbank heeft de vordering afgewezen, het hof heeft haar toegewezen.

3.3 Naar het hof heeft overwogen in rov. 4.5, heeft de Gemeente, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, aangevoerd dat Wabron niet kan worden aangemerkt als rechtsopvolger van vergunningaanvrager [A] B.V., aangezien niet deze laatste vennootschap maar [betrokkene 1] in privé medeoprichter was van Wabron, zodat de gepretendeerde vordering haar niet toekomt. Het hof heeft dit verweer verworpen, daartoe overwegende:

"4.6 Dit verweer gaat niet op. Bij onderhandse akte van 12 oktober 1991, overgelegd als productie 8 bij repliek, heeft [betrokkene 1], handelend in privé en in zijn hoedanigheid van directeur van IJsunie B.V., de uit bovengenoemde bouwvergunning voortvloeiende rechten en verplichtingen aan Wabron overgedragen. Daarmee is de onderhavige vordering, die is gegrond op onrechtmatige verlening van deze bouwvergunning, rechtsgeldig aan Wabron gecedeerd volgens het toen geldende artikel 668 (oud) BW."

3.4 Het onrechtmatig handelen dat Wabron aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, heeft plaatsgevonden vóór 12 oktober 1991. Indien dit handelen inderdaad tot een vordering tot schadevergoeding jegens de Gemeente heeft geleid, is deze vordering derhalve vóór 12 oktober 1991 ontstaan en kwam zij toe aan de aanvrager van de vergunning. Anders dan het hof heeft aangenomen, kan zij niet worden aangemerkt als een uit de bouwvergunning voortvloeiend recht, noch als een nevenrecht dat van rechtswege overgaat op de verkrijger van het recht op de bouwvergunning; vgl. HR 12 november 1999, nr. C98/076, NJ 2000, 222. Onderdeel 1 slaagt derhalve.

Nu de betrokken akte geen andere te dezen relevante bepaling bevat dan door het hof is weergegeven, en de gedingstukken ook anderszins geen stellingen inhouden die het oordeel zouden kunnen rechtvaardigen dat de bedoelde vordering op Wabron is overgegaan, moet de conclusie zijn dat de bedoelde vordering Wabron niet toekomt.

De Hoge Raad kan derhalve zelf de zaak afdoen door het vonnis van de rechtbank te bekrachtigen.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 21 november 2002;

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Haarlem van 6 februari 2001;

veroordeelt Wabron in de kosten van de procedure, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot:

- in hoger beroep op € 1.266,05;

- in cassatie op € 652,34 aan verschotten en € 1.590,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vice-president R. Herrmann als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, O. de Savornin Lohman, A. Hammerstein en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 25 juni 2004.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOL 2004, 371 NJ 2004, 605 BR 2004/180 met annotatie van B.J.P.G. Roozendaal JWB 2004/261
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?