Nr. 1404
25 juni 2004
Za
gewezen in de zaak van
1. [eiseres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats],
3. [eiser 3],
wonende te [woonplaats],
eisers tot cassatie,
advocaat: mr. K.A. Weski,
tegen
1. de gemeente Rotterdam, in haar hoedanigheid van oorspronkelijk eisende partij,
zetelende te Rotterdam,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga,
en
2. de gemeente Rotterdam, in haar hoedanigheid van oorspronkelijk gedaagde partij,
zetelende te Rotterdam,
verweerster in cassatie,
advocaat: mr. P.S. Kamminga.
1. Geding in feitelijke instantie
1.1. Nadat de Rechtbank te Rotterdam (hierna: de Rechtbank) bij beschikking van 18 juli 2002 op daartoe strekkend verzoek van verweerster in cassatie onder 1 (hierna: de Gemeente sub 1) op de voet van artikel 54a van de Onteigeningswet een rechter-commissaris en deskundigen had benoemd, heeft de Gemeente sub 1 bij exploit van 22 oktober 2002 verweerster in cassatie onder 2 (hierna: de Gemeente sub 2) doen dagvaarden voor de Rechtbank en ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan 1e Herziening Bospolder-Tussendijken, gevorderd vervroegd uit te spreken de onteigening ten name van de Gemeente sub 1 van de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Delfshaven, sectie [A], nummer [001], ter grootte van 0.00.96 ha, omschreven als winkelruimte met twee bovenwoningen, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [plaats], waarvan de Gemeente sub 2 als eigenares is aangewezen, en bepaling van het bedrag van de schadeloosstelling.
1.2. De Gemeente sub 1 heeft bij exploit van 28 oktober 2002 de dagvaarding op de voet van artikel 18, leden 5 en 6, van de Onteigeningswet doen betekenen aan eiseres tot cassatie onder 1 (hierna: [eiseres 1]).
1.3. Bij vonnis van 12 december 2002, welk vonnis op 17 februari 2003 is ingeschreven in de openbare registers, heeft de Rechtbank de gevorderde onteigening bij vervroeging uitgesproken en het voorschot op de schadeloosstelling voor [eiseres 1] bepaald op € 8.991,40.
1.4. Bij vonnis van 14 mei 2003 heeft de Rechtbank de beslissing omtrent het vaststellen van de schadeloosstelling aangehouden totdat de Kantonrechter te Rotterdam eindvonnis heeft gewezen op het door [eiseres 1] gedane verzet tegen de ontbinding van de huurovereenkomst.
1.5. Bij het thans bestreden vonnis van 27 augustus 2003 heeft de Rechtbank, voor zover in cassatie van belang, het bedrag van de schadeloosstelling voor [eiseres 1] bepaald op nihil en haar veroordeeld tot terugbetaling aan de Gemeente van het aan haar betaalde voorschot van € 8.991,40, voor zover dit aan haar is uitbetaald, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 augustus 2003 tot het tijdstip van terugbetaling.
2. Geding in cassatie
2.1. Eisers tot cassatie (hierna: [eisers]) hebben tegen het vonnis beroep in cassatie ingesteld.
2.2. De Gemeente sub 1 heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep voor zover dit betrekking heeft op cassatiemiddel 1 en tot referte ten aanzien van cassatiemiddel 2. De Gemeente sub 2 heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisers] in hun beroep tegen het bestreden vonnis voor zover dat is gewezen tussen de Gemeente sub 1 enerzijds en de Gemeente sub 2 anderzijds.
2.3. Partijen hebben vervolgens hun standpunten schriftelijk doen toelichten door hun advocaten. [Eisers] hebben gerepliceerd en de Gemeente sub 1 en de Gemeente sub 2 hebben gedupliceerd.
2.4. De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 16 april 2004 geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in zoverre het is gericht tegen de Gemeente sub 2 en tot verwerping van het beroep voor het overige.
3. De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
Nu de Gemeente sub 2 in de procedure voor de Rechtbank als tegenpartij van de Gemeente sub 1 optrad, kan zij niet samen met de Gemeente sub 1 als verweerster in deze cassatieprocedure worden betrokken. [Eisers] kunnen dan ook niet worden ontvangen in hun beroep voorzover dat gericht is tegen de Gemeente sub 2.
4. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart [eisers] niet-ontvankelijk in hun beroep voorzover gericht tegen de Gemeente sub 2,
verwerpt het beroep voor het overige, en
veroordeelt [eisers] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente in haar beide hoedanigheden begroot op € 316,33 aan verschotten en € 1365 voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.G. Pos als voorzitter, en de raadsheren J.C. van Oven en C.J.J. van Maanen, en door de vice-president P. Neleman uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juni 2004.