9 juli 2004
Eerste Kamer
Rek.nr. R04/069HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[Verzoeker],
verblijvende te [verblijfplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen.
1. Het geding in feitelijke instantie
De officier van justitie in het arrondissement Assen heeft op 20 februari 2004 onder overlegging van een op 19 februari 2004 ondertekende geneeskundige verklaring een verzoek ingediend bij de rechtbank aldaar tot het verlenen van een voorlopige machtiging tot het doen voortduren van het verblijf van verzoeker tot cassatie - verder te noemen: verzoeker - in een psychiatrisch ziekenhuis.
De rechtbank heeft bij beschikking van 26 februari 2004 de voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden, uiterlijk tot 26 augustus 2004.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen de beschikking van de rechtbank heeft verzoeker beroep in cassatie ingesteld. Het cassatie-rekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1 In deze zaak gaat het om het volgende. Aan verzoeker is de maatregel van terbeschikkingstelling opgelegd onder het stellen van voorwaarden. In het kader van die terbeschikkingstelling is hij opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. In het zicht van het verstrijken op 21 februari 2004 van de maximale geldingsduur van de maatregel, die in dit geval vier jaar bedraagt, is op 19 januari 2004 aan de rechtbank verzocht een voorlopige machtiging als bedoeld in art. 2 Wet Bopz te verlenen tot het doen voortduren van het verblijf van betrokkene in bedoeld ziekenhuis. De rechtbank heeft dit verzoek op 22 januari 2004 afgewezen op de grond dat geen sprake was van gevaar als bedoeld in art. 2 Wet Bopz. Op 20 februari 2004 is opnieuw een voorlopige machtiging verzocht. Bij beschikking van 26 februari 2004 heeft de rechtbank het verweer verworpen dat de officier van justitie in zijn verzoek niet-ontvankelijk was omdat dit een herhaling was van het eerdere, afgewezen verzoek, en een voorlopige machtiging voor de duur van zes maanden verleend. Hiertegen richt zich het middel met rechts- en motiveringsklachten.
3.2 Het middel faalt op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.1 tot en met 2.12.
4. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, E.J. Numann en F.B. Bakels, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 9 juli 2004.