25 juni 2004
Eerste Kamer
Nr. C03/072HR
JMH/AT
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.L.J. Duijsens,
t e g e n
1. [Verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Verweerder 2],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDERS in cassatie,
advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 5 augustus 1996 verweerders in cassatie - verder te noemen: [verweerder] c.s. - gedagvaard voor de rechtbank te 's-Hertogenbosch en gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] c.s. te veroordelen om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:
I een bedrag van ƒ 74.136,50, waarvan ƒ 69.424,16 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 februari 1995 en waarvan ƒ 4.712,38 (bij repliek verminderd tot ƒ 1.255,29) te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 1996 tot de dag der algehele voldoening;
II ter zake van buitengerechtelijke kosten en expertisekosten een bedrag van ƒ 5.209,60, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening.
[Verweerder] c.s. hebben de vorderingen bestreden en in reconventie gevorderd [eiser] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen aan hen te betalen een bedrag van ƒ 4.062,08, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 1 april 1995 tot aan de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met het bedrag van ƒ 610,-- ter zake van buitengerechtelijke incassokosten.
[Eiser] heeft in reconventie de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 3 april 1998 in conventie [verweerder] c.s. tot bewijslevering toegelaten. Na enquête en contra-enquête heeft de rechtbank bij eindvonnis van 19 maart 1999 in conventie [verweerder] c.s. veroordeeld aan [eiser] te betalen een bedrag van ƒ 72.389,05, vermeerderd met de wettelijke rente over ƒ 69.424,16 vanaf 15 februari 1995, over ƒ 1.255,29 vanaf 1 januari 1996 en over ƒ 1.709,60 vanaf 5 augustus 1996 tot aan de dag der voldoening, en het meer of anders gevorderde alsmede het in reconventie gevorderde afgewezen.
Tegen beide in conventie en in reconventie gewezen vonnissen hebben [verweerder] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.
Bij tussenarrest van 15 november 2001 heeft het hof [verweerder] c.s. tot bewijslevering toegelaten. Na enquête en contra-enquête heeft het hof bij eindarrest van 24 oktober 2002 het vonnis van de rechtbank van 19 maart 1999 voorzover in conventie gewezen vernietigd, dit vonnis voor het overige bekrachtigd, alsmede het tussenvonnis van 3 april 1998 en, opnieuw rechtdoende, in conventie de vordering afgewezen en in reconventie de vordering toegewezen.
Beide arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen beide arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal F.F. Langemeijer strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] c.s. begroot op € 991,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren J.B. Fleers, D.H. Beukenhorst, O. de Savornin Lohman en P.C. Kop, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 25 juni 2004.