ECLI:NL:HR:2004:AP1379

ECLI:NL:HR:2004:AP1379, Hoge Raad, 11-06-2004, 39500

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 11-06-2004
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 39500
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Cassatie
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 4 zaken
Aangehaald door 7 zaken
5 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0002320 BWBR0005289 BWBR0005537 BWBR0006358

Samenvatting

Dient verhoging te worden verminderd bij niet-naleving 67k AWR (kennisgeving en hoorplicht)?

Uitspraak

Nr. 39.500

11 juni 2004

AF

gewezen op het beroep in cassatie van X te Z tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 27 januari 2003, nr. 01/00022, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.

1. Navorderingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor het Hof

Aan belanghebbende is voor het jaar 1996 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 32.345. Vervolgens is haar over dat jaar een navorderingsaanslag opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 82.345, met een verhoging van de nageheven belasting van 100 percent, van welke verhoging bij het vaststellen van de aanslag tot op 50 percent kwijtschelding is verleend. De navorderingsaanslag en de beschikking inzake de verhoging zijn, na daartegen gemaakt bezwaar, bij gezamenlijke uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.

Het Hof heeft de bestreden uitspraak bevestigd.

De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

2. Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3. Beoordeling van de middelen

3.1. Belanghebbende heeft voor het Hof aangevoerd dat de Inspecteur bij het vaststellen van de in de aanslag begrepen verhoging het bepaalde in artikel 67k van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR) niet heeft nageleefd. Niet werd betwist dat de Inspecteur wel heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 67g, lid 2, AWR. Het Hof heeft, kennelijk uitgaande van de juistheid van voormelde stelling, in de omstandigheden van dit geval onvoldoende aanleiding gezien om gevolgen te verbinden aan het niet in acht nemen van het bepaalde in artikel 67k AWR, zoals verdere kwijtschelding van de verhoging. Het Hof heeft daartoe overwogen dat bij de Belastingdienst gegronde vrees aanwezig kon zijn voor handelingen van belanghebbende en/of haar medevennoot die de belangen van de fiscus zouden kunnen schaden en dat voor belanghebbende in de fase van bezwaar en in de fase van beroep voldoende gelegenheid heeft bestaan om zich tegen de toegepaste verhoging te verweren.

In voormelde oordelen en de daarop berustende beslissing ligt besloten het oordeel van het Hof dat belanghebbende, gelet op hetgeen het horen in de bezwaarfase heeft opgeleverd, door de niet naleving van het bepaalde in artikel 67k van voormelde wet niet in haar belang is geschaad. Dit oordeel geeft, nu het verzuim van de Inspecteur geen invloed heeft gehad op de hoogte van de uiteindelijk opgelegde boete, en mede in aanmerking genomen het bepaalde in artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op zijn juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk. Middel III dat zich tegen dit oordeel keert, faalt derhalve.

3.2. De overige middelen kunnen evenmin tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5. Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en J.W. van den Berge, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2004.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl BNB 2005/39 met annotatie van M.W.C. FETERIS FED 2004/336 WFR 2004/952 Belastingadvies 2004/14.3 V-N 2004/30.7 met annotatie van Redactie NTFR 2004/896 met annotatie van MR. J. VAN DE MERWE
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?