ECLI:NL:HR:2004:AP4170

ECLI:NL:HR:2004:AP4170, Hoge Raad, 14-09-2004, 02311/03

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 14-09-2004
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 02311/03
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2004:AP4170
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 16 zaken
Aangehaald door 3 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001854

Samenvatting

Door feitenrechter verbonden rechtsgevolg aan overschrijding van de redelijke termijn kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst (HR NJ 2000, 721). ’s Hofs oordeel dat i.c. kan worden volstaan met louter constatering is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat binnen bijna twee jaar en twee maanden na het instellen van appèl uitspraak is gedaan, alsmede gelet op de opgelegde gevangenisstraf van tien weken met aftrek.

Uitspraak

14 september 2004

Strafkamer

nr. 02311/03

SG/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 27 november 2002, nummer 23/001092-01, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedatum] 1965, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Arrondissementsrechtbank te Utrecht van 15 september 2000 - de verdachte ter zake van 1. "wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmee gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben, meermalen gepleegd", 2. "eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening (de Hoge Raad leest: meermalen gepleegd)" en 3. "opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen" veroordeeld tot tien weken gevangenisstraf. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.

2. Geding in cassatie

2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. J. Zomer, advocaat te Vlissingen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de strafoplegging, met verwijzing van de zaak in zoverre naar een aangrenzend hof opdat deze op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan, en met verwerping van het beroep voor het overige.

2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.

3. Beoordeling van het middel

3.1. Het middel richt zich tegen de beslissing van het Hof dat de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM niet tot strafvermindering behoeft te leiden.

3.2. In de bestreden uitspraak heeft het Hof met betrekking tot de redelijke termijn het volgende overwogen:

"Door verdachte is op 28 september 2000 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. Tussen dat tijdstip en heden, 27 november 2002, ligt een periode van 2 jaren en (bijna) 2 maanden. Dit betekent dat de berechting van de zaak in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM, nu niet gebleken is van bijzondere feiten of omstandigheden die dit tijdsverloop kunnen rechtvaardigen. Gelet op de geringe duur van de overschrijding laat het hof het bij de constatering van de overschrijding. Het verbindt er geen consequenties aan voor de strafmaat."

3.3. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721, rov. 3.7).

3.4. Het Hof heeft geoordeeld dat de redelijke termijn is overschreden doch dat - gelet op de duur van de overschrijding - kan worden volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op genoemde verdragsbepaling. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het Hof weliswaar niet binnen twee jaar na het instellen van het appèl doch wel binnen bijna twee jaar en twee maanden nadien uitspraak heeft gedaan, alsmede gelet op de in hoger beroep opgelegde gevangenisstraf van tien weken met aftrek van de tijd die door de betrokkene reeds in verzekering en in voorlopige hechtenis was doorgebracht.

3.5. Het middel is dus ondeugdelijk.

4. Slotsom

Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

5. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en B.C. de Savornin Lohman, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 14 september 2004.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl NJ 2004, 628 JOW 2006, 21
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?