21 september 2004
Strafkamer
nr. 02857/03
IV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 2 mei 2003, nummer 20/002668-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te 's-Hertogenbosch van 12 juni 2002 - voorzover aan 's Hofs oordeel onderworpen, de verdachte ter zake van subsidiair 1. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid onder C, van de Opiumwet (oud) gegeven verbod, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van éénhonderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.H.M. van Dijk, advocaat te 's-Hertogenbosch, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat het Hof een hogere straf heeft opgelegd dan door de Advocaat-Generaal in hoger beroep was gevorderd, en die beslissing, in strijd met art. 359, zevende lid, Sv, niet toereikend heeft gemotiveerd.
3.2.1. Het Hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"zij op tijdstippen omstreeks de periode van 1 mei 2001 tot en met 9 september 2001 te Valkenswaard, in elk geval in Nederland, telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid zogenaamde xtc-pillen, zijnde telkens een materiaal bevattende MDMA, zijnde die MDMA een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, danwel (de Hoge Raad leest:) aangewezen krachtens het tweede en derde lid van artikel 2 van die Wet."
3.2.2. Deze bewezenverklaring is, voorzover hier van belang, gelijk aan die van de Rechtbank. De Advocaat-Generaal bij het Hof heeft gevorderd dat het vonnis van de Rechtbank zal worden bevestigd, bij welk vonnis de verdachte is veroordeeld tot éénhonderd uren werkstraf.
Het Hof heeft de verdachte eveneens tot die straf veroordeeld.
3.3. Het middel is gebaseerd op de opvatting dat het Hof in wezen een zwaardere straf heeft opgelegd dan ter terechtzitting is gevorderd omdat het Hof weliswaar dezelfde straf heeft opgelegd als door de Advocaat-Generaal was geëist, maar blijkens de bewijsmiddelen een lichter feit heeft bewezenverklaard dan de Advocaat-Generaal bij zijn vordering voor ogen stond.
Deze opvatting is onjuist, omdat voor de toepasselijkheid van art. 359, zevende lid, Sv in een geval als het onderhavige beslissend is de aan de bewezenverklaring gegeven kwalificatie van het strafbare feit en het daarvoor geldende strafmaximum en niet de concrete ernst van dit strafbare feit zoals die uit de bewezenverklaring en/of de bewijsmiddelen blijkt. Uit het voorgaande volgt dat het Hof de verdachte niet voor een minder zwaar feit tot dezelfde straf heeft veroordeeld als door de Advocaat-Generaal was gevorderd en dat hier meergenoemde bepaling niet van toepassing is. Het middel is derhalve in zoverre ondeugdelijk.
3.4. Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 21 september 2004.