16 november 2004
Strafkamer
nr. 00193/04
IV/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 12 september 2003, nummer 21/000436-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Peru) op [geboortedatum] 1950, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Arnhem van 30 december 2002 - de verdachte ter zake van 1. en 2. telkens opleverende "verkrachting" veroordeeld tot vijftien maanden gevangenisstraf, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en met de bijzondere voorwaarde als in het arrest omschreven. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. B.J. Schadd, advocaat te Arnhem, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De conclusie is aan dit arrest gehecht.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel klaagt, naar de Hoge Raad begrijpt, dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de onder 2 bewezenverklaarde gedragingen "geweld" in de zin van art. 242 Sr opleveren.
3.2. Overeenkomstig de inleidende dagvaarding is onder 2 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van het einde van de maand maart 2001 tot 22 juni 2001 te Dieren, gemeente Rheden, door geweld [het slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], te weten het brengen van zijn, verdachtes, penis en/of vinger(s) in de vagina van voornoemde [slachtoffer], welk geweld hierin heeft bestaan dat verdachte - bij het naar aanleiding van pijnklachten bekijken van de vagina van voornoemde [slachtoffer] - zijn penis en/of vinger(s) onverhoeds heeft geduwd/gebracht in de vagina van voornoemde [slachtoffer]."
3.3. Het middel kan niet tot cassatie leiden op de gronden als vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 3.2 en 3.3.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en A.J.A. van Dorst, in bijzijn van de waarnemend-griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 16 november 2004.