26 november 2004
Eerste Kamer
Nr. C03/252HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiseres 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
2. [Eiser 2],
3. [Eiseres 3],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. D. Stoutjesdijk,
t e g e n
DOPOL B.V.,
gevestigd te Bemmel,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.
1. Het geding in feitelijke instanties
Verweerster in cassatie - verder te noemen: Dopol - heeft bij exploot van 29 december 1997 eisers tot cassatie - verder gezamenlijk te noemen: [eiser] - gedagvaard voor de kantonrechter te Nijmegen en gevorderd - kort gezegd - de tussen Dopol en [eiser] bestaande huurovereenkomst met betrekking tot de winkel/het woonhuis c.a. te [plaats] aan de [a-straat 1] (hierna: het gehuurde pand) te ontbinden met veroordeling van [eiser] tot ontruiming van het gehuurde pand, alsmede veroordeling van [eiser] tot betaling van achterstallige huur.
[Eiser] heeft de vorderingen bestreden en in reconventie gevorderd verhuurder te veroordelen tot terugbetaling van een bedrag van ƒ 4.144,91.
Dopol heeft de vordering in reconventie bestreden.
Ingevolge een rolbeschikking van 23 oktober 1998 heeft de kantonrechter een comparitie van partijen gehouden. Hierna heeft de kantonrechter ingevolge zijn tussenvonnis van 24 november 2000 het gehuurde pand bezichtigd. De kantonrechter heeft vervolgens bij tussenvonnis van 10 augustus 2001 in conventie en in reconventie de zaak naar de rol verwezen teneinde Dopol in de gelegenheid te stellen zich alsnog uit te laten over de vraag of er samenloop van huurregimes moet zijn of niet.
Tegen het tussenvonnis van 10 augustus 2001 heeft Dopol hoger beroep ingesteld bij de rechtbank te Arnhem. Dopol heeft in hoger beroep gevorderd laatstgenoemd tussenvonnis van de kantonrechter te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de tot het gehuurde behorende woning onzelfstandig is in de zin van art. 7A:1624 lid 2 BW.
Na tussenvonnissen van 21 februari 2002 en 13 juni 2002 en een comparitie ter plaatste van het gehuurde, heeft de rechtbank bij eindvonnis van 21 mei 2003 het bestreden vonnis van de kantonrechter vernietigd en, in zoverre opnieuw rechtdoende, voor recht verklaard dat de tot het gehuurde behorende woning onzelfstandig is in de zin van art. 7A:1624 lid 2 BW, en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar de sector kanton Nijmegen van de rechtbank.
Het eindvonnis van de rechtbank is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het eindvonnis van de rechtbank heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Dopol heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor Dopol mede door mr. J.H.M. van Swaaij, advocaat bij de Hoge Raad.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Dopol begroot op € 316,34 aan verschotten en € 1.365,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren J.B. Fleers, als voorzitter, P.C. Kop en E.J. Numann, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 26 november 2004.