ECLI:NL:HR:2004:AR3731

ECLI:NL:HR:2004:AR3731, Hoge Raad, 30-11-2004, 00847/04

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 30-11-2004
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer 00847/04
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2004:AR3731
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 7 zaken
Aangehaald door 8 zaken
8 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001830 BWBR0001903 BWBR0005251 BWBR0008032 CELEX:31992L0012 CELEX:31994L0074 EU:31992L0012 EU:31994L0074

Samenvatting

Redelijke termijn ex art. 6 EVRM en voorlopige hechtenis verdachte. De opvatting dat een verdachte ook indien de voorlopige hechtenis is geschorst, in voorlopige hechtenis verkeert als bedoeld in HR NJ 2000, 721, rov. 3.16, is onjuist.

Uitspraak

30 november 2004

Strafkamer

nr. 00847/04

EC/IV

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 26 november 2003, nummer 23/001609-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] (Rusland) op [geboortedatum] 1974, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging ten aanzien van het onder 3 (tweede deel) tenlastegelegde en voorts met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Amsterdam van 6 februari 2002 - de verdachte vrijgesproken van het hem bij inleidende dagvaarding onder 3 (eerste gedeelte) tenlastegelegde en hem voorts ter zake van 1. "het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, terwijl verdachte aan die organisatie leiding heeft gegeven" en 2. "medeplegen van opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, meermalen gepleegd" veroordeeld tot drie jaren gevangenisstraf waarvan een jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, alsmede tot een geldboete van € 45.450,--, subsidiair een jaar hechtenis.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

3. Beoordeling van het eerste middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4. Beoordeling van het tweede middel

4.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof het verweer dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn heeft verworpen op gronden die deze verwerping niet kunnen dragen.

4.2. Het Hof heeft in de bestreden uitspraak het in het middel bedoelde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden, hetgeen moet leiden tot strafvermindering, mede waar een aanzienlijk geldbedrag als borgsom door de verdachte was gestort bij schorsing van zijn voorlopige hechtenis.

Het Hof stelt vast dat sedert het instellen van hoger beroep op 6 februari 2002 tot aan de datum van deze uitspraak op 26 november 2003 ongeveer 21 maanden zijn verstreken. Dit tijdsverloop is, mede gelet op de omvang van de zaak en de ingewikkeldheid daarvan, niet zodanig dat de redelijke termijn in de zin van evengemelde verdragsbepaling is overschreden, zodat geen aanleiding bestaat met dit tijdsverloop bij het bepalen van de op te leggen straf rekening te houden."

4.3. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat het Hof heeft miskend dat in de appèlfase het geding in beginsel met een einduitspraak behoort te zijn afgerond binnen een termijn van zestien maanden indien de verdachte in voorlopige hechtenis verkeert (vgl. HR 3 oktober 2000, NJ 2000, 721 rov. 3.16). Aan dat betoog ligt de opvatting ten grondslag dat ook indien de voorlopige hechtenis is geschorst - zoals hier het geval is - een verdachte in voorlopige hechtenis verkeert, als in dat arrest bedoeld.

4.4. De opvatting waarop het middel berust is onjuist. Daarom faalt het middel.

5. Slotsom

Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.

6. Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.L.M. Urlings en W.A.M. van Schendel, in bijzijn van de waarnemend griffier L.J.J. Okker-Braber, en uitgesproken op 30 november 2004.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOL 2004, 636 NJ 2005, 109 NbSr 2005/33
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?