ECLI:NL:HR:2004:AR6026

ECLI:NL:HR:2004:AR6026, Hoge Raad, 24-12-2004, R04/009HR

Instantie Hoge Raad
Datum uitspraak 24-12-2004
Datum publicatie Onbekend
Zaaknummer R04/009HR
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Cassatie
Gerelateerde zaken
Formele relatie: ECLI:NL:PHR:2004:AR6026
Jurisprudentie Netwerk (LiDo)
Verwijst naar 1 zaken
Aangehaald door 25 zaken
1 wettelijke verwijzingen

Verwijst naar

Aangehaald door

Wettelijke verwijzingen

BWBR0001860

Samenvatting

24 december 2004 Eerste Kamer Rek.nr. R04/009HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [verzoekster], wonende te [woonplaats], VERZOEKSTER tot cassatie, advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos. 1. Het geding in feitelijke instanties...

Uitspraak

24 december 2004

Eerste Kamer

Rek.nr. R04/009HR

JMH

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

VERZOEKSTER tot cassatie,

advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.

1. Het geding in feitelijke instanties

Met een op 30 juli 2003 ter griffie van de rechtbank te Rotterdam ingediend verzoekschrift heeft verzoekster tot cassatie - verder te noemen: [verzoekster] - zich gewend tot die rechtbank en verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken.

[Verzoekster] is gehoord ter terechtzitting van 5 november 2003.

De Rechtbank heeft bij vonnis van 5 november 2003 het verzoek afgewezen.

Tegen dit vonnis heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage.

Bij arrest van 15 januari 2004 heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2. Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Timmerman strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof.

3. Beoordeling van de middelen

3.1 [Verzoekster] heeft verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken wegens een totale schuldenlast van € 35.088,07, waarvan een bedrag van € 24.954,62 betrekking heeft op een vordering van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Rotterdam (hierna: de Sociale Dienst). De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen op grond van art. 288 lid 2, aanhef en onder b, F, namelijk dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan of het onbetaald laten van de schuld aan de Sociale Dienst niet te goeder trouw is geweest. Het hof heeft het vonnis bekrachtigd.

3.2 Het hof heeft in rov. 4 geoordeeld dat [verzoekster] ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Sociale Dienst niet te goeder trouw is geweest. Deze schuld is immers, aldus het hof, mede ontstaan doordat [verzoekster] de inkomsten uit arbeid die haar toenmalige echtgenoot genereerde, bewust heeft verzwegen tegenover Sociale Zaken, terwijl zij en haar toenmalige echtgenoot een bijstandsuitkering genoten. Van feiten en omstandigheden welke desondanks de toelating van [verzoekster] tot de schuldsaneringsregeling zouden kunnen rechtvaardigen is volgens het hof niet gebleken. Het hof acht hetgeen [verzoekster] dienaangaande heeft aangevoerd onvoldoende.

3.3 Middel 1 klaagt dat het hof heeft geoordeeld dat [verzoekster] bewust de inkomsten van haar toenmalige echtgenoot heeft verzwegen, terwijl de kern van haar beroep nu juist betrof dat zij zich van haar eigen verantwoordelijkheid ter zake niet bewust was.

Dit oordeel geeft echter geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting noch is dit onbegrijpelijk gelet op 's hofs vaststelling in rov. 3, dat [verzoekster] naar eigen opgave haar toenmalige echtgenoot heeft gezegd dat hij de inkomsten moest opgeven en dat zij daarop niet langer heeft aangedrongen toen hij antwoordde dat, als de fraude zou uitkomen, hij de verantwoordelijkheid op zich zou nemen. Het middel faalt.

3.4 Middel 2 klaagt, kort gezegd, dat het hof essentiële stellingen van [verzoekster] onbesproken heeft gelaten, te weten, voor zover na het hiervoor in 3.3 overwogene nog relevant, dat [verzoekster] haar inkomsten van eind 2001 wèl netjes heeft opgegeven aan de Sociale Dienst én dat zij met de Sociale Dienst een terugbetalingsregeling heeft getroffen voor de ten onrechte genoten uitkering, aan welke terugbetalingsregeling zij tot dusverre elke maand voldoet.

Het gaat in art. 288 lid 2, aanhef en onder b, F. om een facultatieve grond voor afwijzing van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. Bij deze facultatieve afwijzingsgrond waarmee mede wordt beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, gaat het blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen niet om de goede trouw bedoeld in art. 3:11 BW of de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in de art. 6:2 en 6:248 BW, maar om een gedragsmaatstaf. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever ervan is uitgegaan dat de rechter in een concreet geval met alle omstandigheden rekening kan houden. "Daarbij spelen een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt gemaakt kan worden dat de schulden zijn ontstaan en of onbetaald gelaten, het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren en dergelijke" (Kamerstukken II 1993/1994, 22 969, nr. 6, blz. 20) (vgl. HR 26 januari 2001, nr. R00/138, NJ 2001, 178).

Uit dit een en ander volgt dat de in het middel aangevoerde stellingen, zoals hiervoor weergegeven, indien zij juist zijn, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden en dat het door het hof gegeven oordeel, waarbij deze stellingen niet zijn besproken, dus onvoldoende is gemotiveerd. Het middel slaagt derhalve.

3.5 Middel 3 strekt ten betoge dat het hof impliciet heeft geoordeeld dat [verzoekster] haar toenmalige echtgenoot wegens de uitkeringsfraude had moeten aangeven en aldus heeft miskend dat zij, [verzoekster], terzake een verschoningsrecht had.

Het middel kan bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden, nu het hof zulks niet - ook niet impliciet - heeft geoordeeld.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het gerechtshof te 's-Gravenhage van 15 januari 2004;

verwijst het geding naar het gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing.

Dit arrest is gewezen door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman, P.C. Kop en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president P. Neleman op 24 december 2004.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl JOL 2004, 712 NJ 2005, 129 JWB 2004/472
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?