8 maart 2005
Strafkamer
nr. 00795/04 P
LR/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 23 december 2003, nummer 22/000238-03, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[betrokkene], geboren te [geboorteplaats] (Indonesië) op [geboortedatum] 1950, ten tijde van de betekening van de aanzegging zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beslissing van de Arrondissementsrechtbank te Middelburg van 28 maart 2001 - de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 1.081.126,60.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede middel
4.1. Het middel behelst onder meer de klacht dat 's Hofs oordeel dat voor aftrek van de waarde van de zeilboten [A] en [B] na verbeurdverklaring geen plaats is, onbegrijpelijk is.
4.2.1. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof heeft de betrokkene daar, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, verklaard:
"Ik ben in hoger beroep gegaan omdat ik niet weet wat ik met zo'n hoog bedrag aan moet; het is een enorm bedrag. Ik weet niet waar ik het vandaan moet halen. Het is een hopeloze zaak.
Ik kan het financieel rapport niet volgen. Ik kocht zeiljachten en verkocht deze ook. Daaruit had ik inkomsten. Ik kan echter geen namen noemen van mensen voor wie ik gewerkt heb. Als ik namen van die mensen ga noemen, dan betrek ik die er ook bij en moeten zij ook op het matje komen. (...) Ik kan niet aangeven welke kosten ik exact gemaakt heb voor de transporten."
4.2.2. Namens de betrokkene is daar, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, blijkens datzelfde proces-verbaal door diens raadsman ter verdediging aangevoerd:
"Voorts stelt hij dat met de waarde van de verbeurdverklaarde boten rekening dient te worden gehouden."
4.3. De bestreden uitspraak houdt, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
"Het hof stelt vast dat bij de berekening door kasvergelijking zoals in het onderhavige financieel verslag een verdeling naar evenredigheid niet aan de orde is en voorts dat veroordeelde tegenover de op deze wijze tot stand gekomen schatting van het wederrechtelijke verkregen voordeel waarbij ook bedragen voor kosten als door de verdediging bedoeld zijn betrokken, geen deugdelijke en verifieerbare gegevens of bewijsstukken heeft aangedragen met betrekking het door hem gestelde.
Veroordeelde heeft derhalve de schijn die tegen hem bestaat, niet weerlegd. Het hof ziet in het door veroordeelde gestelde daarom geen aanleiding af te wijken van de berekening in genoemd rapport.
De waarde van de zeilboten [A] en [B] is niet in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel opgenomen. Voor aftrek als kosten van de waarde van deze boten na verbeurdverklaring is geen plaats. De investeringen in deze boten kunnen redelijkerwijs niet als kosten op de opbrengsten uit de strafbare feiten in mindering worden gebracht. Dit zijn immers risicovolle investeringen, waarbij veroordeelde en zijn mededader(s) op het moment van investeren geacht worden te weten dat van een dergelijk investeren sprake is, doch zich daar desondanks niet door hebben laten weerhouden."
4.4. Het oordeel van het Hof dat de waarde van de zeilboten [A] en [B] niet in de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden betrokken, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Daarbij neemt de Hoge Raad in aanmerking dat het Hof het aan de betrokkene te ontnemen wederrechtelijk verkregen voordeel heeft berekend op basis van - kort gezegd - de in- en uitgaande geldstromen van de criminele organisatie waarvan de betrokkene de feitelijke leidinggevende was en dat niet is aangevoerd dat die boten als opbrengst van de strafbare feiten zijn aan te merken, terwijl evenmin is aangevoerd dat die boten kosten hebben opgeleverd die in directe relatie stonden met de voltooiing van de delicten waarmee het wederrechtelijk verkregen voordeel is behaald. Genoemd oordeel draagt de verwerping van het verweer zelfstandig, zodat de klacht, die zich richt tegen hetgeen het Hof voor het overige ter verwerping van het verweer heeft overwogen, geen bespreking behoeft.
Deze klacht van het middel faalt derhalve.
4.5. De overige klachten van het middel kunnen evenmin tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, J.W. Ilsink, J. de Hullu en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 8 maart 2005.